Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 27-06-2020

2020-06-27

geheel

betekenis & definitie

I. bn., 1. gaaf, ongeschonden: dit kopje is nog — (in de gewone spreekt, heel);

2. waaraan niets ontbreekt, gans, heel, volledig in de som van zijn delen: — Amsterdam was op de been, alle inwoners van die stad, alle Amsterdammers; een getal, een natuurlijk, positief of negatief getal dat een zeker aantal malen een eenheid bevat zonder dat er zich delen van die eenheid bij bevinden, het tegenovergestelde van een breuk; de gehele raad, alle leden; de gehele wereld, iedereen;
2. in versterkende opvatting: gehele gewesten kwamen in opstand, de opstand bleef niet tot plaatsen beperkt; een gehele week, een volle week; gehele dagen, ganse dagen; het gehele jaar, in betrekking tot de ganse duur; hij kocht de gehele Vondel, al de dichtwerken van Vondel;
3. als onverbogen attribuut: gij zult liefhebben de Heer uw God met uw hart en met — uw ziel, en met uw verstand (Matt.22,37); het mensdom;
4. als predik, bep. het eind is toch wat ver om — te lopen, het gehele eind al lopend af te leggen; hij was

in het zwart, van het hoofd tot de voeten.

II. bw., 1. van graad: in elk opzicht, volkomen, met ganse ziel, het ganse hart: dichter; schilder;

de uwe, gewone vriendschapsbetuiging aan het slot van brieven; — gehoor zijn, met de grootste opmerkzaamheid luisteren; als bepaling bij ww.: zijn vermogen — verkwisten; een plan — opgeven; bij bn.: ik ben — genezen; u zult hier — vrij leven; niet —, niet in elk opzicht, niet in allen dele, niet volkomen, niet ten volle; zonder hoofdpijn voel ik mij een ander mens, gans, volkomen anders; bij bw.: anders, volkomen, in elk opzicht anders; en al, gans en al;

2. van voorstellingswijze of modaliteit: — niet, hetzelfde als in het — niet, dat de gewone zegsw. is geworden;

III. zn. o. (gehelen),

1. een zaak gedacht als eenheid, als de vereniging van haar gezamenlijke delen, en beschouwd in tegenstelling tot die delen afzonderlijk: een — in zijn delen splitsen; een — uitmaken, vormen, tot een — verbinden, samenvoegen, versmelten enz.; (wiskunde) een grootheid of hoeveelheid als een eenheid gedacht in betrekking tot kleinere grootheden of hoeveelheden die ten opzichte van haar als delen beschouwd worden: het is groter dan elk van zijn delen; het is gelijk aan de som van zijn delen; een ondeelbaar —, een eenheid, een zaak waarvan de delen zo innig samenhangen, of verbonden zijn, dat zij niet te scheiden zijn: is de ziel een ondeelbaar -, of bestaat zij uit delen?;
2. in het heb ik 100 gulden schuld, alles samengenomen; hij zei in het niets, volstrekt niets; hij kwam in het niet in aanmerking, niet in het minst; zij kan in het — geen kwaad van hem horen, volstrekt niet; over het genomen is hij nog zo kwaad niet, als men niet let op enkele bijzonderheden;
3. de som van de gezamenlijke delen van een stoff. of onstoff. zaak als een eenheid gedacht: het van iemands vermogen, van iemands kundigheden enz.; het — is meer dan de som van de delen, de compositie (van een kunstwerk) voegt er iets aan toe dat niet in de delen op zichzelf beschouwd en bij elkaar te vinden is; in deze bloemlezing staat het gedicht in zijn —, zonder enige weglating; in zijn is deze roman een zonderlinge mengeling van mystiek en naturalisme, alle delen samengenomen; iets in zijn — laten, er niets aan veranderen, zodat alle delen dezelfde blijven; de zaak blijft in haar —, een zaak voorlopig onbeslist laten, de zaak blijft voorlopig onbeslist; de overeenstemming of samenwerking van verschillende stoff. of onstoff. zaken, waardoor zij te zamen een eenheid vormen, harmonisch werkende totale indruk: hoe verdienstelijk enkele delen van het schilderij op zichzelf ook mochten zijn, toch maakte het — weinig of geen indruk; een zeker — uitmaken, vormen enz., op een bepaalde wijze overeenstemmen en daardoor een bepaalde indruk maken.