Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

gast

betekenis & definitie

m. (-en),

1. iemand die men, m.n. na hem daartoe uitgenodigd te hebben, aan zijn tafel laat meeëten of anderszins onthaalt, of wel die men gedurende enige tijd in zijn huis opneemt en huisvesting verleent, logeergast: gasten uitnodigen, ontvangen, hebben; bij uitbreiding ook met betrekking tot de plaats waar iemand logeert: er zijn dit jaar veel gasten in de badplaatsen; (ook) persoon met betrekking tot degene die hen vrijhoudt bij het bezoeken van een schouwburg enz.: je bent vanavond mijn —; een welkome -, die men gaarne ontvangt; een hoge -, een aanzienlijk, voornaam persoon als gast; een vreemde -, vreemdeling die men aan zijn tafel ontvangt of die men huisvest; (ook) iemand die zich als gast buitensporig gedraagt; (spr.) ongenode gasten zijn zelden welkom, of zet men buiten, achter de deur, wijst men de deur; te gaan, bij iemand gaan eten of feestvieren; die dikwijls te wil gaan, moet dikwijls noden; aan iets te gaan, er lekker van smullen, zijn hart eraan ophalen; oneig.: je neus gaat daar te -, het ruikt daar heerlijk; zijn ogen of oren te — laten gaan, laten genieten van wat er aan moois te zien of te horen is; in de wereld te — zijn, een aangenaam en gemakkelijk leventje hebben; (ergens) slecht te geweest zijn, (ergens) slecht onthaald zijn;
2. iemand die aan openbare tafel eet; iemand die een restaurant bezoekt, of wel, als vreemdeling in een hotel zijn intrek neemt: in het hotel waren zoveel gasten dat er geen kamer meer te krijgen was: (spr.) zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, men beoordeelt anderen naar zichzelf;
3. vreemde, niet tot het vaste gezelschap behorende toneelspeler (-speelster), die slechts tijdelijk in enkele rollen optreedt; (sport) van elders gekomen speler;
4. manspersoon, jonkman; m.n. in verbinding met kwalitatieve bn.: een jonge -, een jonge borst, een jong mens; een ongure -, die er gemeen, ruw uitziet of zo optreedt;
5. knecht van een ambachtsman of fabrikant, gezel, werkknecht; vooral in samenstelling als: poldergast, polderjongen; spuitgast, bediener van de brandspuit, brandweerman enz.; varensgezel, matroos, m.n. in samenstellingen gebruikelijk: baantjesgast, bootsmansgast, bramzeilgast, kabelgast, marsgast, ruimgast, schiemansgast enz.; ook: matroos, geplaatst aan de bootsmans-, schiemans-, bootsmansmaatsof schiemansmaatsbak;
6. (fig.) parasiet in betrekking tot zijn gastheer;
7. (scheikunde) in een kooiverbinding de (moleculen van de) stof die in een rooster (gastheerrooster) is opgesloten.