Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 29-06-2020

dubbel

betekenis & definitie

I. bn.,

1. uit twee gelijke of overeenkomstige delen bestaand, tweevoudig: een horloge met dubbele kast; een dubbele boterham, twee op elkaar; met een dubbele draad naaien; een dubbele kin, een kin met een onderkin; een deken — leggen, in tweeën gevouwen; een dubbele deur, die hetzij uit twee vleugels (ofwel dubbele vleugels) bestaat, hetzij uit een stel van twee achter elkaar geplaatste deuren; evenzo dubbele ramen; een — huis, met ramen aan weerszijden van de voordeur; dubbele vijf, zes, dominosteen met vijf, zes ogen op iedere helft; — blind aanzetten; een weg met — spoor, met twee stellen rails; een dubbele tand, een oude vorm en een nieuwe achter elkaar; — blok, met twee schijven; slot, slot met springslot; er is een dubbele bodem, er is iets mee; een dubbele naam, een familienaam die uit twee namen bestaat; zijn tong slaat —, hij praat met een dubbele tong, onverstaanbaar, in het bijzonder voor: hij is dronken; dubbele exemplaren, waarvan men er twee heeft; een dubbele frank, een geldstuk van twee frank; dubbele punt, leesteken (:), dat geplaatst wordt vóór een aanhaling in de directe rede en voor zinnen of zinsdelen die iets vermelden dat ter opheldering of verklaring, of toelichting van het te voren gezegde dient; met krijt schrijven, een te hoge rekening opmaken; (gew.) in —, dubbel, in duplo, in tweevoud;
2. tweemaal zo groot, zo veel, zo dik (enz.) zijnde als gewoonlijk of normaal: een dubbele aflevering, een

nummer (van een tijdschrift enz.); dubbele bessen; een vergadering in dubbelen getale, met tweemaal zoveel leden als gewoonlijk; dubbele twee, boot met twee roeiers, ieder met twee riemen, zonder stuurman; dubbele likeuren (anisetten enz.), van bijzondere sterkte en fijnheid; (gew.) — bier, zwaar bier; (scheikunde) ter aanduiding van zure zouten (dubbelkoolzure soda e.d.); (weverij) dubbele stoffen, met dubbele ketting; zelfst.: hij vroeg mij het dubbele van de prijs;

3. van tweeërlei aard: een dubbele betrekking; de dubbele standaard; een dubbele wens; een dubbele zin.

II. bw.,

1. in tweeën, in twee exemplaren: ik heb dat boek —; hij ziet —, ziet scheel; (ook) is dronken;
2.tweemaal: de vijand was — zo sterk; — betalen;

schaak;

3. in tweemaal zo hoge mate: dat lachje maakte haar — verleidelijk; dat is — (zo) erg; hij heeft zijn aandeel al — en dwars gekregen, al meer dan dat; (gew.) en dik, zeer veel, meer dan genoeg,

II. zn. o., 1. een tweemaal zo grote hoeveelheid, zo groot bedrag: het — van dat aantal, van die som; 2. tweede gelijk exemplaar in een verzameling, doublet: hij verkocht zijn dubbelen; (gew.) afschrift, duplicaat, doorslag.

IV. v./m., zie double.