Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 29-06-2020

drie

betekenis & definitie

I, telw., 1. hoofdtelw., twee plus één: — bladzijden; ik hebuur gelopen; — is sedert onheuglijke tijden een heilig getal; hij kon geentellen, wist van verlegenheid niets te doen; (ook) hij was buitengewoon dom; een-twee-— als bijw. uitdr., op slag, terstond: ik kan dat maar zo niet een-twee-— klaar hebben; — aan —, bij of met drie tegelijk; — dik, in drie lagen; — hoog, op de derde verdieping; predikatief: het zijn er —; (kaartspel) ik roem er —, d.i. drie kaarten, staat gelijk met ik roem een derde, d.i. drie opeenvolgende kaarten van dezelfde kleur;

2. met de waarde van een rangtelw.: hoofdstuk —; hij is van het jaar —; — april; op schepen gemeenz. aanspreekvorm voor de derde stuurman;
3. in de verbogen vorm drieën (het telw. drie beschouwd als een zelfst. gebruikt bn. in het meerv.):
a. drie personen: ze werden bij drieën binnengelaten, drie aan drie; een gezelschap van drieën; deel dit onder u drieën; zij waren met hun drieën; (spr.) alle goede dingen bestaan in drieën, met één ding of één keer is men gewoonlijk niet tevreden; driemaal is scheepsrecht; iets in drieën breken, in drie delen; hij deed het in drieën, in drie achtereenvolgende malen; ik geef (zet) het u in drieën, ik geef het u te doen met tweemaal overdoen, d.i. ik geloof niet, dat u het doen kunt; (rekenkunde) regel van drieën, bewerking tot het vinden van een getal door het als vierde term van een evenredigheid te beschouwen;
b. drie uur (na een voorzetsel): het is over, voor, na, bij, tegen drieën;

II. zn., v./m. (drieën), 1. cijferteken voor de hoeveelheid drie: een Arabische — (3) en een Romeinse — (III); als waarderingscijfer: hij heeft twee drieën op zijn rapport;

2. Schotse —, dans (in de driepas);
3. zijde van een dobbelsteen of helft van een dominosteen met drie ogen; kaart met drie figuren: harten —, ruiten —.