Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 29-06-2020

2020-06-29

doof

betekenis & definitie

bn. en bw. (dover, -st),

1. door een organisch gebrek niet kunnende horen; (minder absoluut) slecht horende: dat kind is altijd — geweest; oude mensen worden vaak wat —; zo — als een kwartel, als een pot, zeer doof; ik ben niet —, je behoeft zo hard niet te spreken, of: je behoeft het mij geen tweemaal te zeggen; wie niet — is, moet veel horen; — aan één oor zijn, met dat oor niet kunnen horen; (fig.) aan dat oor ben ik —, daar wil ik niets van weten, van horen; zich — houden, doen of men een geroep, een vraag enz. niet hoort; in dezelfde betekenis: horende — en Oostindisch — zijn;
2. (oneig.) niet luisterende naar, niet toegankelijk voor: — zijn voor alle vermaningen, ze. in de wind slaan; — blijven voor een verzoek, er niet op ingaan.