Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 29-06-2020

2020-06-29

deel

betekenis & definitie

o. (delen),

1. wat van een geheel is afgenomen of gescheiden, of wat met gelijke of bijbehorende zaken tot een geheel kan worden samengevoegd of daarmee een geheel uitmaakt: de delen van een servies; het geheel is meer dan de som van de delen; gedeelte: een van de soldaten ontkwam; iets in gelijke delen verdelen; een groot — van zijn vermogen heeft hij verloren; voor een groot — heb ik dat aan hem te danken, in de eerste plaats; — uitmaken van, behoren tot; ten dele, niet het geheel, maar slechts een deel daarvan betreffend: wat u zegt is ten dele waar, gedeeltelijk; onderdeel: delen van een machine; lichaamsdeel, orgaan; gelijke hoeveelheid: één zwavel op drie delen salpeter; (in Friese geschiedenis) grietenij, plattelandsgemeente;
2. aandeel, wat iemand krijgt, wat hem toekomt of te beurt valt: hij moet zijn van de winst hebben; — aan iets hebben, erbij betrokken zijn; hij heeft er part noch aan, is er niet bij betrokken, is er volkomen onschuldig aan; nemen in iets, ten — vallen, als aandeel geschonken worden, te beurt vallen; (fig.) grote geestesgaven waren hem ten gevallen, door de natuur toebedeeld, geschonken; voor mijn —, voor mijn part, wat mij betreft; elk zijn -, aan ieder wat hem toekomt; ons aardse —, wat ons toebeschikt is;
3. wat men van een geheel in beschouwing neemt, opzicht; alleen in: in genen of in allen dele;
4. (in een bijzondere toepassing van 1.) boekdeel: een werk in twee delen.