censuur betekenis & definitie

censuur - [Lat. censura], v.,

1. kerkelijk toezicht op en kerkelijke rechtspraak omtrent zuiverheid in leer en levenswandel; afkeurend oordeel, van een kerkelijk lichaam uitgaande veroordeling, kerkelijke straf: onder — staan; iemand onder — stellen, plaatsen, enigerlei kerkelijke straf op hem toepassen (ook de banvloek); disciplinaire straf door een vergadering op een der leden toegepast: de — op iemand toepassen, over iemand uitspreken;
2. (bij uitbreiding) afkeurend oordeel, openlijke terechtwijzing;
3. toezicht door een kerkelijke of wereldlijke overheid uitgeoefend op voor publikatie bestemd drukwerk, het toneel, de film of brieven, met de bevoegdheid daaruit gedeelten te schrappen of te verbieden;
4. (psychologie) in de psychoanalyse de werking van het superego, waardoor door het geweten niet-getolereerde krachten uit het onbewuste niet bewust kunnen worden.

Kerkelijke censuur. In de Rooms-Katholieke Kerk kende men de censuur als kerkelijke strafmaatregel, vooral onder de drie vormen excommunicatie, interdict en suspensie. Bij ernstige wetsovertreding (met wetsverachting) kon aan een gedoopte censuur worden opgelegd door de paus, de kardinalen, pauselijke legaten, bisschoppen en sommige hogere kloosteroversten. In het roomskatholiek kerkelijk recht is bekend de keuring die aan het uitgeven van sommige boeken, tijdschriften e.d. vooraf moet gaan alvorens het imprimatur (Lat., het worde gedrukt), evulgetur (het worde uitgegeven) of het nihil obstat (er is niets op tegen) wordt gegeven (zie boekenwet). Tot 1966 gold bovendien de zgn. Index, een lijst van met name genoemde boeken, verboden voor katholieken.
In de protestantse kerken komt de censuur vooral voor in de vorm van het gebruik van de censura morum: vóór elke Avondmaalsviering stelt de kerkeraad vast of er ernstige bezwaren zijn tegen gemeenteleden wat betreft hun opvattingen ten aanzien van de leer of hun zedelijk gedrag; wordt men onder censuur gesteld, dan betekent dit uitsluiting van het Avondmaal en van elk kerkelijk ambt en stemrecht.
Wereldlijke censuur. Ook hier onderscheidt men preventieve en repressieve censuur, maar alleen de eerste, die een machtiging vooraf eist voor de uitgave, bezorging of vertoning, is de eigenlijke censuur. Repressieve censuur, het inbeslagnemen of vervolgen na de genoemde handeling, is een uitvloeisel van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor eenmaal gepleegde handelingen. De Ned. GW verbiedt in art. 7 uitdrukkelijk preventieve censuur op voortbrengselen van de drukpers. De rechter maakt met betrekking tot de interpretatie van dit art. wel onderscheid tussen het recht om gedachten en gevoelens door de drukpers zó te uiten, dat zij voor anderen kenbaar zijn (dat recht vormt volgens de Hoge Raad de eigenlijke inhoud van art. 7 van de GW) en het recht om reeds gedrukte stukken in het openbaar aan het publiek bekend te maken (b.v. het verkopen van boeken, het uitdelen van folders). Op het laatstgenoemde recht mogen ook bij gemeentelijke verordeningen beperkingen worden aangebracht, zij het dat die beperkingen nimmer verder mogen gaan dan in overeenstemming is met het eigenlijke grondrecht. Anderzijds laat de Hoge Raad soms ook wel andere middelen dan gedrukte stukken, zoals in neonletters aangebrachte teksten, die als middel van bekendmaking in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen, onder de bescherming van art. 7 van de GW vallen. Ten aanzien van andere middelen om gedachten en gevoelens te openbaren, geeft de GW nog geen waarborgen. Sinds 1950 is Nederland aangesloten bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit verdrag spreekt ook niet van ‘vrijheid van drukpers’ maar van ‘vrijheid van meningsuiting’, behelst dan ook nadere voorschriften met betrekking tot andere communicatiemedia (radio en televisie) en bepaalt o.a. dat het mogelijk is deze laatste aan een vergunningstelsel te onderwerpen, dat echter geen inbreuk mag maken op de gegarandeerde vrijheid, zie Bioscoopwet; zie Omroepwet.
LITT. H.H. Houben, Verbotene Literatur von der klassischen Zeit bis zur Gegenwart (1924-28); P.J. Boukema, Enkele aspecten van de vrijheid van meningsuiting in de Duitse Bondsrepubliek en in Nederland (diss. 1966); M.C. Burkens, Beperking van grondrechten (diss. 1971).
De Belg. GW verbiedt de invoering van censuur ten aanzien van drukpersuitingen, ook in oorlogstijd (art. 18 GW). Het decreet van 21.10.1830 erkent de vrijheid van toneelvoorstellingen, dat bij uitbreiding ook filmvertoningen bestrijkt. Deze voorstellingen mogen aan geen voorafgaande machtiging van de overheid worden onderworpen. Wel is de overheid bevoegd maatregelen te treffen indien openbare orde, veiligheid en rust in gevaar komen, maar dit dient niet te leiden tot censuur. De radio- en televisieomroep is een monopolie; de uitzendingen zijn aan bepaalde geboden onderworpen.