cacao betekenis & definitie

cacao' - [Sp. Mexicaanse caca; uitspraak: kakou'], m.,

1. het zaad (de bonen) van de cacaoboom, waarvan chocolade bereid wordt;
2. poedervormige stof die verkregen wordt door de cacaobonen te roosten, fijn te malen en van hun vetdelen te ontdoen: een busje —; zuivere oplosbare —
3. de drank die men verkrijgt door cacaopoeder in warm water of melk op te lossen: wilt u een kop —?

Het handelsprodukt cacao bestaat uit de gefermenteerde en gedroogde zaden (cacaobonen) van Theobroma cacao, een kleine boom (familie Sterculiaceae) met een eigenaardige groeiwijze. De stam van een uit zaad geteelde boom wordt niet hoger dan ca. 1 m en vormt aan zijn top een schijnkrans van vijf schuin omhoog staande primaire takken, die zich verder normaal vertakken. De stam vormt verder geen zijtakken, wel verticale waterloten, die het gedrag van de stam herhalen. Zo ontstaan verschillende etages van primaire takken boven elkaar. De langwerpige bladeren hebben een lange spits. Jong blad hangt eerst een tijd slap omlaag, is dan geelachtig tot lichtrood, en wordt later stijf en groen. De kleine (1,5 cm), omlaaghangende, geel-en-rode bloemen ontstaan alleen aan de stam en de dikkere takken, steeds op dezelfde plaatsen in geleidelijk groter wordende groepen. Zij kunnen alleen bestoven worden door kleine mugjes. Slechts een zeer klein deel van de vruchtbeginsels brengt het tot een volwassen vrucht.
De vrucht (kolf) is ovaal, 15-20 cm lang, en bevat 25-40 zaden in vijf overlangse rijen. De vruchtwand heeft een dunne, min of meer houtige laag tussen twee dikkere zachte lagen. Bij de rijping verslijmt de binnenlaag tot een zoetzure pulp. Een flinke vrucht levert globaal 100 g vers zaad, waaruit 40 g van het handelsprodukt wordt verkregen. De cacaoboom groeit in het wild in de bossen van het Amazonegebied; hij werd al in de vóór-Columbiaanse tijd in Midden-Amerika geteeld. Vanaf het begin van de 16e eeuw heeft de cultuur zich geleidelijk uitgebreid over de gehele tropengordel binnen de breedtecirkels van 20° NBr. en ZBr. Het gewas eist een heet en vochtig klimaat voor een goede opbrengst.
Vanouds onderscheidt men twee hoofdtypen (de Spaanse namen hebben nog slechts historische betekenis): 1. criollo (= inheems), afkomstig uit Mexico en Venezuela, heeft een meestal rode, spitse kolf met oneffen oppervlak, en ronde witte zaden, levert een superieure kwaliteit cacao, maar is vrij zwak;
2. het krachtiger forastero(= buitenlands) type, uit de Amazonevallei, groen of wit en bij rijpheid naar geel verkleurend, en paarse, vaak wat platte of gedeukte zaden. Uit deze twee typen ontstond in gebieden waar zij beide waren ingevoerd (Trinidad, Java, Ceylon enz.) een hybride type dat meestal trinitario wordt genoemd. Criollocacao vindt men nog slechts op enkele plaatsen (Venezuela, de Comoren, de Filippijnen); trinitario’s komen voor in .vele landen, maar nergens op zeer grote schaal. Het produkt van criollo- en trinitario-cacao wordt als edelcacao aangeduid. Ca. 90 % van de wereldproduktie is afkomstig van een als amelonado aangeduide vorm van forasterocacao, die vooral in West-Afrika en Brazilië op zeer grote schaal wordt verbouwd. Het in ca.1940 ontdekte, er nauw mee verwante, Boven-Amazonetype onderscheidt zich door zijn grote groeikracht en resistentie tegen ziekten; dit type en kruisingen ervan worden daarom steeds meer aangeplant.

CULTUUR. Cacao wordt gewoonlijk vermeerderd door zaad. Meestal houdt men de jonge planten eerst enige maanden op kweekbedden alvorens ze in het veld uit te zetten. In enige landen gebruikt men oculaties van waterloten, die dezelfde groeiwijze vertonen als uit zaad geteelde bomen, of bewortelde takstekken, die in struikvorm opgroeien. Men plant 500—1100 bomen per ha en houdt ze in de regel laag, op een of twee etages. Meestal teelt men het gewas onder schaduwbomen, aangeplant of overgebleven van uitgedund bos. De opbrengst is dan veelal niet meer dan 200-500 kg marktcacao per ha en per jaar. Het is echter gebleken dat men onder gunstige omstandigheden en bij intensieve cultuur van krachtige typen de schaduwbomen na enkele jaren kan verwijderen; de opbrengst kan dan stijgen tot 1500 kg en meer per ha. Een aanplant levert de eerste vruchten in het derde of vierde jaar; de maximumopbrengst is op de leeftijd van 7-15 jaar. De economische leeftijd van een aanplant is 30—50 jaar; de bomen kunnen echter veel ouder worden.
Ziekten en plagen. De cacaoboom heeft veel natuurlijke vijanden. De belangrijkste schimmelziekten zijn het bruinrot van de kolven, dat in alle aanplantgebieden voorkomt, en de heksenbezemziekte (in Suriname: krullotenziekte), die tot Amerika beperkt is gebleven. Een virusziekte (swollen shoot) richt veel schade aan in West-Afrika; zij kan alleen bestreden worden door het rooien en vernietigen van aangetaste bomen en het aanplanten van minder gevoelige variëteiten. Een belangrijke plaag in vele landen vormen bloemwantsen, die knoppen en jonge loten doen afsterven en op de kolven zuigen. VERWERKING. De rijpe vruchten worden met een kapmes afgesneden of met een soort snoeimes aan een lange stok van de hogere takken afgestoten. Zij worden dan opengekapt. Zaad en pulp worden gedurende enkele dagen gefermenteerd in met bananeblad of zakken afgedekte hopen, in open kisten, of in op rekken geplaatste bakjes. Hierbij wordt eerst door gisting alcohol gevormd dat weer door bacteriën in azijnzuur wordt omgezet; de temperatuur kan daarbij tot 45 °C oplopen. Het zuur dringt in de bonen; de wrang smakende (paarse of kleurloze) looistof achtige verbindingen in het zaad worden omgezet in niet-wrange (bruingekleurde) stoffen; tevens worden bepaalde stoffen gevormd die later, bij het branden in de chocoladefabriek, het karakteristieke cacao-aroma opleveren. De bonen worden vervolgens gedroogd tot een watergehalte van ca.6 %, in de zon of met warme lucht in drooginstallaties.
PRODUKTIE EN HANDEL. De cacaocultuur wordt ten dele als plantagelandbouw bedreven, maar is voor het grootste deel (o.a. in geheel WestAfrika) in handen van kleine landbouwers. De opkoop, sortering in kwaliteiten, en uitvoer zijn in vele landen een monopolie van een (semi-)officiële organisatie. De wereldproduktie bedraagt ruim 1,5 mln. t per jaar, waarvan ongeveer twee derde uit West-Afrika (vooral uit Ghana, Nigeria, de Ivoorkust en Kameroen) en een achtste uit Brazilië. Meer dan 20 000 t produceren ook Ecuador, de Dominicaanse Republiek, Mexico en Colombia, terwijl de produkties van Venezuela, Equatoriaal Guinea en Togo dit peil ongeveer bereiken. De belangrijkste afnemers zijn de VS, de BRD, Nederland, de USSR en Groot-Brittannië. Van de relatief enorme invoer in Nederland (119 000 t in 1973) wordt verreweg het grootste deel weer uitgevoerd in de vorm van cacaoboter, cacaopoeder en chocoladeprodukten; daarmee staat Nederland op de eerste plaats als exporteur van cacaoprodukten. Verscheidene produktielanden streven ernaar de verwerking van de bonen in het eigen land te houden; Brazilië en WestAfrika exporteren al belangrijke hoeveelheden halffabrikaten (cacaoboter, -poeder en -pasta).
De prijzen hebben sedert de jaren zestig grote schommelingen vertoond. Om tot een zekere stabilisatie te komen, is in 1973 een Internationale Cacao-overeenkomst gesloten, maar de prijs is hoog gebleven. Het handelsprodukt bevat 52 % vet (cacaoboter), 20 % eiwit en 10 % zetmeel op de droge stof.
LITT. L.Burlé, Le cacaoyer (2 dln. 1961-62); D.H.Urquhart, Cocoa (3e dr. 1965).