Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 06-06-2019

2019-06-06

bovenleiding

betekenis & definitie

bovenleiding - v. (-en), bovengronds leidingnet voor toevoer van energie bij elektrische tractie. De energietoevoer vindt bij een bovenleiding plaats van een op een hoogte van 5—6 m gespannen rijdraad op de erlangs glijdende stroomafnemer van het motorvoertuig. Bij tramnetten wordt vaak de enkelvoudige ophanging toegepast.

Deze bestaat uit dwarsdraden die aan palen of aan gebouwen zijn bevestigd. De onderlinge afstand van de ophangpunten is 25-35 m, de doorhang van de rijdraad bedraagt daarbij 20 -25 cm.Omdat de stroomafnemer deze doorhang slechts tot snelheden van circa 35 km/h kan volgen, moet bij grotere snelheden de rijdraad strakker worden gespannen. De rijdraad wordt dan door middel van hangdraden opgehangen aan een draagkabel (afb.) die om de 70 m door een bovenleidingportaal wordt ondersteund. De afstand tussen de hangdraden bedraagt ca. 7 m. Om de horizontale ligging van de rijdraad onafhankelijk te maken van lengteveranderingen door temperatuurvariaties, wordt de rijdraad verdeeld in secties van ca. 1,5 km lengte en aan beide uiteinden gespannen door eraan bevestigde gewichten. De rijdraad is bij zo'n spaninrichting onderbroken, zodat er een verbinding voor de stroomdoorgang moet worden gemaakt. Op bepaalde plaatsen worden schakelaars in deze doorverbindingenaangebracht terwille van het lokaliseren van fouten of van onderhoudswerkzaamheden.
Zijdelings slingeren van de rijdraad wordt verhinderd door de draad bij elke paal vast te houden met een pijphouder aan een metalen pijp. Deze is met een isolator aan de paal of de hangsteun bevestigd. De palen zijn van naadloze stalen buizen, stalen breedflensbalken of van beton gemaakt. De bovenleiding wordt gevoed vanuit onderstations.
Tussen de onderstations zijn een of twee schakelstations opgesteld, waarin automatische schakelaars staan opgesteld, die uitschakelen bij een kortsluiting in de bovenleiding. Ter plaatse van een onder- of schakelstation zijn de bovenleidingsecties elektrisch van elkaar gescheiden en door middel van de schakelaars met elkaar verbonden.