biologie betekenis & definitie

biologie - [Gr. bios, leven], v., tak van de natuurwetenschappen die zich bezighoudt met levensvormen, zowel recente als uitgestorven.

De biologie bestudeert de levensverschijnselen in de meest uitgebreide zin, zowel die van planten als dieren en mensen. In engere zin werd het woord biologie ook wel gebruikt voor de kennis van plant en dier, voorzover die beperkt is tot een algemene beschrijving van de levensgeschiedenis, de plaats van voorkomen en de wisselwerking met de omgeving. Meestal wordt hiervoor tegenwoordig van bionomie gesproken. Gaat deze gepaard met de beschrijving van de dieren en planten zelf, dan spreekt men ook wel van natuurlijke historie. Een meer exacte definitie luidt: biologie is de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van het leven voorzover het de natuurwetenschappelijke aspecten betreft. De psychologie .valt volgens deze definitie niet onder de biologie, maar de ethologie (gedragsleer) wel, omdat deze op natuurwetenschappelijke wijze het gedrag van dier en mens bestudeert.

Al naar gelang de vraagstelling kan de biologie onderverdeeld worden in de algemene biologie, die de eenheid in verscheidenheid bestudeert, en de bijzondere biologie, die zich vooral richt op het bestuderen van verschillen. Tegenover de beschrijvende biologie, die de objecten naar de vorm en samenhang in de natuur bestudeert, kan de experimentele biologie geplaatst worden, waarbij de organismen onder ‘manipuleerbare’ omstandigheden bestudeerd worden.
Tot de algemene biologie behoren: de morfologie (vormleer), die onder te verdelen is in de uitwendige morfologie, anatomie (ontleedkunde), histologie (weefselleer) en cytologie (celleer); de fysiologie die uiteenvalt in de algemene fysiologie, de chemische fysiologie, die de chemische processen in organismen bestudeert, en de biofysica die de fysische processen bestudeert; de genetica (erfelijkheidsleer), de leer van de overdracht van de erfelijke eigenschappen op de nakomelingschap. Ook de ontogenie (studie van de ontwikkeling van bevruchte eicel tot volwassen individu) maakt deel uit van de algemene biologie. De ontogenie valt uiteen in twee onderdelen: de embryologie, die de ontwikkeling van de bevruchte eicel tot de voldragen vrucht bestudeert, en de ontwikkelingsfysiologie (bij planten experimentele morfologie), die de ontwikkeling van voldragen vrucht tot volwassen individu tot onderwerp heeft. De moleculaire biologie is een van de meest recente ontwikkelingen binnen de biologie en houdt zich bezig met de grote moleculen in het protoplasma, zoals de eiwitten en de nucleïnezuren. De biostatistiek en de theoretische biologie worden eveneens tot de algemene biologie gerekend.

De bijzondere biologie richt zich meer op de verscheidenheid. In de systematiek of taxonomie gaat men uit van de verschillen, waarin op grond van criteria van vormverwantschap wordt getracht een ordening aan te brengen en een zgn. natuurlijk systeem op te bouwen. De biogeografie (geografische verspreiding van organismen) hangt hier nauw mee samen. De samenhang met klimatologische en andere omstandigheden wordt bestudeerd door de ecologie, en de wijze waarop de individuen gemeenschappen vormen door de sociologie. De paleontologie beschrijft de fossiele dieren (paleozoölogie) en planten (paleobotanie), terwijl de palynologie zich bezighoudt met zowel recent als fossiel stuifmeel.
Naar de aard van de groepen die bestudeerd worden, valt de biologie uiteen in zoölogie (dierkunde), botanie (plantkunde) en antropobiologie (menskunde). Zijn de te bestuderen organismen zeer klein, dan spreekt men van microbiologie; de bacteriologie maakt hiervan deel uit. Hiermee verwant is de virologie (leer van de virussen).
De dierkunde kent vele specialismen al naar gelang de diergroep waarvan sprake is: helminthologie (wormen), malacologie (weekdieren), conchyliologie (schelpen van weekdieren), acarologie (mijten), entomologie (insekten), ichtyologie (vissen), ornithologie (vogels), oölogie (eierkunde), herpetologie (reptielen en amfibieën), mammologie (zoogdieren).
Ook de plantkunde kent soortgelijke onderverdelingen: algologie (leer van de algen), mycologie (schimmels), bryologie (mossen), lichenologie (korstmossen), pteridologie (varens). De bloembiologie bestudeert de bestuiving, zowel naar de eigenschappen van de bloem, als die van de bestuivers, en wordt ook wel bestuivingsecologie genoemd. Het tegenwoordige evolutie-onderzoek omvat nagenoeg alle gebieden van de biologie, b.v. de chemo- en immunotaxonomie gebruiken chemische resp. immunologische kenmerken voor de indeling van de organismen.

In de biologie kent men drie verklaringsidealen:
1. de causale verklaring, waarbij men tracht het oorzakelijk verband tussen de onderzochte verschijnselen op te sporen;
2. de. functionele verklaring, waarbij men probeert de functionele betekenis van een bepaald verschijnsel (een structuurelement, een kleurpatroon, een handeling) vast te stellen, en
3. de historische verklaring, waarbij wordt getracht de ontstaanswijze van de organismen en hun delen na te speuren.

De wetenschappelijke vraagstukken die hierbij opdoemen leiden de onderzoeker vaak op gebieden die aan de wijsbegeerte grenzen. Enkele vraagstukken van die aard zijn: het eerste ontstaan van het leven uit de dode stof, het ontstaan van de hogere dieren, waaronder de mens, uit eenvoudig georganiseerde dieren. Het vraagstuk van de doelmatigheid van de organisatie en haar verhouding tot de oorzakelijkheid, de samenhang tussen materie en geest, de betekenis van het individu zijn ook dergelijke problemen.