Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 21-03-2019

Bevolkingspolitiek

betekenis & definitie

v., alle maatregelen van overheidswege die tot doel hebben de kwantitatieve en/of kwalitatieve samenstelling van de bevolking te beïnvloeden.

Bij bevolkingspolitiek speelt de doelstelling van de overwogen maatregelen een centrale rol. Er bestaan nl. tal van maatregelen die gewild of niet de kwalitatieve of kwantitatieve samenstelling van een bevolking mede kunnen beïnvloeden. Zo kan er van het stimuleren van de beroepsarbeid van de gehuwde vrouw een remmende werking uitgaan op het geboortencijfer. Omgekeerd is wel betoogd dat er van de kinderbijslag een stimulerende invloed zou uitgaan op het geboortencijfer.

Toch rangschikt men deze maatregelen niet onder de bevolkingspolitiek, omdat zij niet in eerste instantie tot doelstelling hebben de kwalitatieve of kwantitatieve samenstelling van de bevolking te beïnvloeden. Gewoonlijk beperkt men zich tot die maatregelen welke de kwantitatieve samenstelling van de bevolking beïnvloeden. De kwalitatieve bevolkingspolitiek behoort tot het terrein van de eugenetiek.

Iedere bevolkingspolitiek kan op de drie demografische componenten: geboorte, sterfte en migratie trachten in te werken. Het bestrijden van ziekte en het uitstellen van sterfte is dan ook de oudste vorm van bevolkingspolitiek. Ook het stimuleren van migratie van dicht naar dunbevolkte gebieden kan als een vorm van bevolkingspolitiek worden beschouwd. Bij bevolkingspolitiek wordt in het algemeen echter gedacht aan geboortenbeïnvloedende politiek. Al naar gelang daarbij een stimulering dan wel een afremming van de geboorten wordt beoogd, spreekt men van een prodan wel anti-natalistische bevolkingspolitiek.

Van deze beide typen is de pro-natalistische bevolkingspolitiek verreweg de oudste. Onder bepaalde omstandigheden, zoals een grote sterfte of een geringe bevolkingsdichtheid, kan een dergelijke politiek zeker zinvol zijn. Instrumenten van een pro-natalistische bevolkingspolitiek kunnen zijn: premies bij huwelijkssluiting, medailles voor moeders van grote gezinnen (in de USSR), verhinderen van de verkoop van contraceptieve middelen, belastingfaciliteiten en kinderbijslagen voor grote gezinnen, enz. Sinds kort is echter in een aantal landen een kentering opgetreden, en is men min of meer aarzelend op weg naar een anti-natalistische bevolkingspolitiek. Het meest consequent doordacht is een dergelijk beleid door de Amerikaanse bevolkingscommissie.

In Nederland heeft de stichting ‘Tal en Last’ in dit opzicht pionierswerk verricht. In april 1972 werd ook in Nederland een Staatscommissie voor het Bevolkingsvraagstuk ingesteld, die in nov. 1973 haar interimrapport uitbracht. Dit rapport bevat een aantal beleidssuggesties, die duidelijk op een afremming van de bevolkingsgroei zijn gericht. Daarbij worden genoemd: betere voorlichting, het scheppen van meer mogelijkheden tot zelfontplooiing voor de vrouw dan alleen het moederschap, en het vermijden van ongewenste zwangerschap. In de Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening (jan. 1974) werden door de regering twee doelstellingen van bevolkingspolitiek voor het eerst expliciet onderschreven, en wel:

1. de daling van de vruchtbaarheid dient positief te worden gewaardeerd en voor zover nodig te worden bevorderd; een maximaal aanvaardbare bevolkingsdichtheid dient niet te worden overschreden;
2. Nederland is geen immigratieland en mag dit ook niet worden. Over de maatregelen die zouden moeten worden genomen om deze doelstellingen te bereiken is deze nota echter zeer terughoudend. De inmiddels aangekondigde afremming van de toevloed van buitenlandse werknemers lijkt nauwelijks haalbaar te zijn. Deze kan bovendien niet van toepassing zijn op de landen van de EG en ook niet op de overzeese rijksgenoten.

Ook de stimulering van de -remigratie is een vorm van bevolkingspolitiek. Deze speelt in Nederland echter nauwelijks (meer) een rol. [dr.H.J.Heeren]

Litt. Commission on population growth and the American future, Population and the American future (1972); Interimrapport van de Staatscommissie voor het bevolkingsvraagstuk (1973); H.J.Heeren en P.van Praag (red.), Van nu tot nul, bevolkingsgroei en bevolkingspolitiek in Nederland (1974).

< >