Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 09-03-2019

2019-03-09

bek

betekenis & definitie

m. (-ken), 1. snavel (van vogels); 2. mond, muil (van dieren): de kat had een muis in haar zacht, hard in de —, (van paarden gezegd) al of niet gemakkelijk te besturen; van honden noemt men een zachte —, het zacht aanpakken van levend of dood wild; een paard de — afrij den, buiten adem; hij heeft het end in de —, is geheel buiten adem, is doodop; (spr.) een gegeven paard moet men niet in de zien, men moet geen aanmerkingen maken op een ontvangen geschenk; 3. (met effect gebruikt) mond van de mens: hou je —!, zwijg; een — hebben als een hooischuur, een grote — hebben, een grote mond opzetten, veel praats hebben; hij doet geen meer open, hij zwijgt als een mof; (ook) hij is dood; iemand de — snoeren, hem noodzaken te zwijgen; hij zegt maar alles wat hem voor zijn komt, hij flapt er alles uit, hij spreekt zonder na te denken; hij is gemeen in zijn —, hij houdt van vulgaire praatjes; (metonymisch) een brutale —, brutale woorden: ik kreeg nog een brutale — van hem ook; dat is geen spek(je) voor jouw bek(je), dat is veel te goed, te mooi voor je; iemand op zijn geven, in het gezicht slaan; 4. wat met een bek wordt vergeleken: — van een goot, uitvloeipijpje; van een pen; — van een haak, ijzeren punt; de van een bankschroef, de beide wangen waartussen het voorwerp vastgezet wordt; evenzo bij nijptang en schroefsleutel; de van een schaaf, opening waarin de beitel wordt bevestigd; hol ondergedeelte van een boorijzer.