Autobus betekenis & definitie

Autobus - [samentrekking van automobiel en Lat. omnibus, voor allen], v./m. (-sen), (ook: bus), openbaar vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een op of aan het voertuig aanwezige motor en dat ingericht is tot het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen. Autobussen, speciaal ingericht voor langere tochten, noemt men reiswagens of touringcars. Na de Eerste Wereldoorlog begon de autobus de trein en tram, vooral op de kortere afstanden, te verdringen. Hoewel het comfort (b.v. afwezigheid rookcompartiment of toiletten; minder ruimte) beslist geringer is en de dienstregelingen minder zeker zijn onder slechte weersomstandigheden (ijzel) mag de autobus zich na 1972 weer in een enigszins stijgende populariteit van het publiek verheugen. De veel geringere kapitaalsinvestering, die een grote frequentie en soepele aanpassing aan de omstandigheden mogelijk maakt, en de korte levensduur (7 — 10 jaar), die de modernisering bevordert, zijn hier niet vreemd aan.

De vroegste autobussen bestonden uit een vrachtwagenchassis, waarop een eenvoudige houten bak was getimmerd. Als zitting dienden twee houten langsbanken. Hieruit zijn de moderne autobussen gegroeid die onderling nogal afwijkende constructies vertonen. De vroegste autobussen hadden een normale motorkap aan de voorzijde. Later plaatste men de bestuurder naast de motor, zodat men bij gelijkblijvende totale lengte meer ruimte voor de passagiers kreeg. Tegenwoordig wordt de motor achterin of onder de vloer geplaatst. De gangwissels verschillen naar gelang van het type bus en het doel waarvoor de bus wordt gebruikt.

Voor stadsdiensten moet aan een relatief sterke motor met weinig versnellingen de voorkeur worden gegeven, ter voorkoming van het vele schakelen. Voor interlokale diensten, waar de maximale snelheid hoger kan zijn, is een bak met vijf of zes versnellingen te prefereren. Veelal wordt de hoogste versnelling als overdrive uitgevoerd. Hierdoor ontstaat het voordeel, dat bij behoud van dezelfde snelheid de omwentelingssnelheid van de motor klein is. Diverse automatische of halfautomatische koppelingen en gangwissels worden steeds meer toegepast. De dieselmotor is in Europa vrijwel standaard geworden.

Een autobus mag niet langer zijn dan 12 m, niet breder dan 2,50 m en niet hoger dan 4 m. De belasting mag de 5000 kg per wiel voor A-wegen niet overschrijden. Soms (vooral in Duitsland) wordt achter de bus een aanhangwagen gekoppeld, waardoor de totale lengte tot de maximaal toegestane lengte van 18 m wordt opgevoerd. Een recente ontwikkeling is het koppelen van de aanhangwagen aan de bus door middel van een harmonicaverbinding. In Engeland, waar slechts een totale lengte van 9 m is toegestaan, worden dikwijls dubbeldekbussen gebouwd, die dan 78 zitplaatsen hebben. Vroeger was het normaal dat men een chassis kocht, waarop een carrosserie werd gebouwd. Later ging men over naar de zgn. zelfdragende constructies (monocoque-integral-constructie).

Behalve door vloeibare brandstof aangedreven bussen treft men in sommige steden trolleybussen aan.

In dit geval wordt een elektromotor in de bus gemonteerd en geschiedt de voeding door een tweedradig bovengronds net. In tegenstelling tot de elektrische tram, waarbij de rails als retourleiding dienen, moet hier met twee trolleys worden gewerkt. In het algemeen heeft de trolleybus het voordeel, dat zij geruisloos en reukloos is; bovendien is de acceleratie groot. Een nadeel is, dat men gebonden is aan een vaste route, terwijl inhalen van trolleybussen onderling niet mogelijk is. au'tocar, m. (-s), autobus voor het vervoer van een groot aantal reizigers (meestal 40 of meer), ook wel reiswagen genoemd.