Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 05-01-2019

advent

betekenis & definitie

advent' [Lat. adventus, nadering], m., de besloten tijd van voorbereiding voor het kerstfeest; de vier weken voor kerstmis door de kerk gewijd aan de nagedachtenis van de naderende komst van de Heer.

De nadruk ligt op de verwachting van Christus’ komst, die voortduurt in de kerk en eens onthuld zal worden op het einde van de tijden. Het is een tijd van vreugdevolle verwachting. Toch heeft Rome ook na de vernieuwing van het kerkelijk jaar in 1969 als liturgische kleur het paars gehandhaafd, dat ook gebruikt wordt in de vastentijd.
Het gereformeerde protestantisme heeft aanvankelijk helemaal gebroken met de traditie van een bijzondere adventsviering. In de 19e eeuw echter werd het gewoonte speciale stof te kiezen voor de prediking op de adventzondagen.
Adventsgebruiken. Sommige zijn oorspronkelijk heidense gebruiken, die later zijn gekerstend. De bekendste, midwinterblazen en Sint-Thomasluiden, zijn kerst- en nieuwjaarsgebruiken. Steeds meer ingeburgerd raakt de adventskrans, die in de adventstijd wordt opgehangen, sinds de Tweede Wereldoorlog ook aan de voordeur. Binnenshuis is het een krans van dennetakken met vier kaarsen: op de eerste zondag wordt één kaars aangestoken, op de volgende telkens één meer. Uit Scandinavië komt de adventskalender met voor iedere dag in de adventstijd een eigen voorstelling.