Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 29-12-2018

2018-12-29

abdij

betekenis & definitie

abdij' [Lat. abbatia], v. (-en), 1. zelfstandig klooster van mannen of vrouwen met een abt of abdis als bestuurder ; 2. de gebouwen van een abdij (1).

Benedictus van Nursia (†547), stichtte de eerste abdij te Monte-Cassino. Zijn volgelingen vestigden zich in woeste, onontgonnen en onveilige streken. Mede hierdoor werden zij gedwongen zich toe te leggen op een autarkische economie, die in het feodale tijdperk een tegenwicht vormde tegen de economie van de landsheer. Hierdoor kregen de abdijen ook politieke betekenis.

Voor de bouw van een abdij geldt nog altijd het uit het begin van de 9e eeuw daterende St.-Gallenplan als ideaal. Centraal in het grootgrondgebied lag op een rechthoekige plattegrond de abdijkerk, gericht naar het oosten. Zuidelijk van het lengteschip van de kerk lagen de kloostergang met oostelijk de sacristie, kapittelzaal, verwarmde vertrekken, zuidelijk de keuken, eetzaal en werkruimte. Boven lagen bibliotheek en slaapplaatsen. De woning van de abt lag buiten het eigenlijke slot. Apart lagen ook noviciaat, ziekenafdeling, bakkerij, brouwerij en andere dienstgebouwen. Het geheel werd omgeven met muren, uit veiligheidsoverwegingen versterkt met kantelen en torens.

In de middeleeuwen hebben de abdijen de beschaving bevorderd door wegenaanleg, ontginningen, bevordering van landbouw en veeteelt. Door de aan de abdij verbonden school hadden zij grote verdiensten voor het onderwijs. Bekend waren ook hun rijk voorziene bibliotheken terwijl hun kronieken nog steeds belangrijke bronnen vormen voor de geschiedschrijving van de middeleeuwen. Doordat de abdijen konden beschikken over een vermogen in geld uit giften en schenkingen en omdat zij in feite het monopolie van de kunst van lezen en schrijven bezaten, konden het machtige instellingen vormen. Grote rijkdom en grootgrondbezit waren het gevolg, waardoor politieke spanningen met regerende vorsten ontstonden. De vorsten verwierven het benoemingsrecht van een abt waarbij niet gelet werd op diens religieuze instelling, zodat een noodlottige afhankelijkheid van wereldlijke machthebbers ontstond.

In 909 stichtte hertog Willem van Aquitanië te Cluny een abdij, die werd onttrokken aan zijn eigen wereldlijke macht en ook aan de bisschoppelijke jurisdictie. Ze werd geplaatst onder rechtstreeks gezag van de H. Stoel terwijl door een volkomen onafhankelijkheid ten aanzien van bestuur en abtskeuze de vrijheid binnen de abdij werd gewaarborgd. De bijna volstrekte autonomie van de abdijen werd opgeheven doordat de abt van Cluny alle abdijen onder zijn leiding stelde. In de 12e eeuw ontstond een tweede hervormingsbeweging onder leiding van Bernardus van Clairvaux (cisterciënzers). Hij trachtte de eenheid van de abdijen te bewaren in een federatief verband. Gevolg van deze hervormingen was een grote versobering in de bouw van abdijen en kerken. Een groot aantal abdijen verdween ten tijde van de Hervorming en de Franse Revolutie. Nederland heeft thans nog abdijen in Oosterhout, Egmond-Binnen, Doetinchem, Vaals. Een abdij voor benedictinessen is gevestigd in Oosterhout. De cisterciënzers van de strikte observantie (trappisten) hebben abdijen in Diepenveen, Tilburg, Zundert, Tegelen en Lilbosch.

Te Berkel-Enschot staat de abdij van de trappistinnen. De cisterciënzers van de gewone observantie hebben een abdij te Nieuwkuijk en de norbertijnen te Heeswijk. In België: Affligent, Dendermonde, Leuven, Maredsous, St. Andries, Steenbrugge. De trappisten te Achel, Westmalle, Westvleteren, Forges, Rochefort en Orval. De cisterciënzers van de gewone observantie te Bornem en Val-Dieu.

De norbertijnen te Tongerlo, Averbode, Postel, Park (Heverlee), Bois-Seigneur-Isaäc, Grimbergen, Leffe, Postel en Tongerlo. LITT. L.H.Cottineau, Répertoire topo-bibliographique des abbayes et priorés (2 dln. 1935-37); Ph.Schmitz, Hist. de l’ordre de Saint Benoît (7 dln. 1948-56); G.Gillement, Cloîtres et abbayes de France (1950); E.Poumont, Abbayes de Belgique (1954); D.Matthen, The Norman monasteries and their English possessions (1962); J.Duft, Studien zum St. Gallerklosterplan (1962); F.v.d.Meer, Atlas de l'ordre cistercien (1965); G.Bomans, Trappistenleven. Kroniek van een abdij (3e dr. 1973).