Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 22-12-2018

aannemen

betekenis & definitie

aan'nemen (nam aan, heeft aangenomen), 1. iets dat aangereikt wordt uit handen van een ander overnemen: een boodschap —; de telefoon —, als er opgebeld wordt de hoorn opnemen en luisteren (en de boodschap overbrengen).

2. het aangebodene of gegevene graag ontvangen, niet weigeren, niet afslaan, er genoegen mee nemen, ter harte nemen: geld, een aanbod, verzekering, verzoek, verontschuldiging, uitnodiging, uitdaging, raad enz. (recht.) een schenking —, bij schriftelijke akte aanvaarden; een wisselbrief —, accepteren; een voorstel, een wetsontwerp —, (met meerderheid van stemmen) goedkeuren; (fig.) iets voor goede munt —, opvatten als ernstig gemeend, er geloof aan hechten; 3. overnemen, zich houden aan: een regel, een maatstaf, een gedragslijn, een leus iets voor echt, als waar —, erkennen; 4. geloven, als juist aanvaarden: gaarne wil ik —…; 5. onderstellen: aangenomen dat; 6. zich zelf geven (een naam, een titel, stem enz.), het tegengestelde van afleggen; 7. (de) rouw —, rouwkleren gaan dragen; 8. zich verbinden een arbeid of leverantie op bepaalde voorwaarden ten uitvoer te brengen; aangenomen; 9. (iemand) in gunst, in liefde ontvangen: in genade —, vergiffenis schenken; 10. in dienst nemen (werk-, krijgs- en scheepsvolk); 11. opnemen als lid in een vereniging (voorgedragenen, kandidaten), in een kerkgenootschap (catechisanten); in een handelszaak (als compagnon); als of tot kind als eigen kind opnemen en behandelen, adopteren (adoptie).

aan'nemer aan'nemer, m. (-s), 1. iemand die aanneemt; acceptant; 2. firma of persoon die zich verbindt enige arbeid of een leverantie op bepaalde voorwaarden uit te voeren .

In de bouwwereld verbindt de aannemer zich gewoonlijk naar de bepalingen van bestek, tekeningen en overige documenten een bepaald werk voor een bepaalde aannemingssom in een bepaalde tijd uit te voeren.