Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

Gepubliceerd op 25-01-2021

malafide

betekenis & definitie

onbetrouwbaar, met slechte bedoelingen

uitspraak
[ma-la-fie-duh]

citaat
“De provincie heeft de schuld van het bedrijf dat de haven exploiteert overgenomen; het ging om een bedrag van 1,5 miljoen euro. Als dat niet zou zijn gebeurd, zou de haven via een veiling worden verkocht. Volgens de provincie waren er aanwijzingen dat malafide bedrijven hun slag wilden slaan.”
Bron: Brabant houdt jachthaven uit criminele handen (RTL Z, 6 november 2017)

woordfeit
Het woord malafide is ontleend aan de Latijnse woordgroep mala fide. Mala en fide staan daarin beide in de ablativus vrouwelijk enkelvoud (een van de vele naamvalsvormen in het Latijn), namelijk van malus ‘slecht’ en fides ‘trouw’. De ablativusvorm drukt vaak een betekenis uit die in het Nederlands met een voorzetsel moet worden omschreven – in dit geval ‘te’ of ‘van’: ‘te kwader trouw, van slechte trouw, slecht te vertrouwen’.
De tegenhanger van malafide is bonafide (‘te goeder trouw, betrouwbaar’), waarin bona de vrouwelijke ablativus is van bonus ‘goed’.