Nieuwe encyclopedie van Fryslân

Meindert Schroor PhH (2016)

Gepubliceerd op 10-01-2025

Rooms-Katholieke Kerk

betekenis & definitie

De grootste christelijke kerk ter wereld.

Georganiseerd als een gemeenschap van plaatselijke kerken waarvan de parochie het basisniveau is, in verbondenheid met de paus als bisschop van Rome die tevens het zichtbare teken is van de onderlinge saamhorigheid. De plaatselijke kerken worden bestuurd door een bisschop, die wordt bijgestaan door ambtsdragers en diensten. De geloofsbasis wordt gevonden in de Bijbel, via de traditie van overleverde geloofsinzichten en -waarheden (dogma's) waarvan de verwoording blijvend getoetst moet worden. In geloof en traditie staan de viering van de eucharistie en de bediening van de zes overige sacramenten (doop, vormsel, biecht, ziekenzalving, huwelijk en wijding) centraal. In Fryslân deelden vanaf negende eeuw tot de Reformatie vrijwel alle bewoners in het christelijke (rooms-katholieke) geloof. Vanaf de wijding van de apostel Willibrord tot bisschop van de Friezen werden de kustbewoners (Friezen genaamd) stelselmatig bekeerd tot het christendom. Bonifatius, patroon van het latere bisdom Groningen Leeuwarden, liet zijn leven (Dokkum, 754) in dat streven. Met de steun van Karel de Grote slaagde de missionaris Liudger hierin beter.

De vele kloosters die in middeleeuws Fryslân waren gesticht, bevolkt door hetzij volgens benedictijnse regel levende monniken, hetzij seculiere kanunniken, vormden naast de gestichte lokale parochies de structuur van de kerkgemeenschap. Tot 1559 bleef Fryslân (m.u.v. Achtkarspelen, bisdom Münster) deel van het bisdom Utrecht en toen kreeg het gebied kortstondig een eigen bisdom Leeuwarden. De Reformatie en de Opstand in de late 16e eeuw veroorzaakten in Fryslân een uiteenvallen van de gemeenschap in hoofdzakelijk gereformeerden, katholieken en doopsgezinden.

Vanaf 3.3.1580 gold een verbod door de Friese Staten op het uitoefenen van de eucharistie en bediening van sacramenten. Vele priesters en katholieke leken namen de vlucht; enkele priesters bleven illegaal aan het werk. Hier en daar bleven verspreide kleine rooms-katholieke gemeenschappen in staties actief, die versterkt werden toen vanaf begin 17e eeuw door de Hollandse Zending meer seculiere en reguliere priesters naar Fryslân gezonden werden. Sindsdien kenmerkte het diaspora-karakter de katholieke presentie in Fryslân. Van de vervulling van officiële ambten werden roomskatholieken uitgesloten.

In de 17e en 18e eeuw konden de rooms-katholieken op enkele vervolgingsincidenten na (o.a. 1732, 1734) hun geloof relatief rustig en in vrijheid belijden en beleven, mits zij dat onopvallend in hun schuilkerken deden. De 26 Friese staties bevonden zich op Dokkum na alle ten zuidwesten van de lijn Leeuwarden-Steggerda. Relatieve concentratiepunten vormden Blauwhuis, St. Nicolaasga, Woudsend en Bakhuizen, terwijl Bolsward en Leeuwarden ook in absolute zin een grote katholiek gemeenschap kenden. Interne spanningen deden zich met name voor rondom het jansenisme, dat het lezen van de Bijbel in de landstaal voorstond, tegen te uitgebreide heiligenverering en jacht op aflaten was en meer vrijheid van eigen kerkinstanties wilde. Uiteindelijk moesten de jansenisten het onderspit delven.

Net als bijv. de doopsgezinden en lutheranen profiteerden de roomskatholieken van de gelijkberechtiging en vrijheid van godsdienst die in de Bataafse Republiek en Franse tijd van kracht werden onder invloed van de waarden van gelijkheid en tolerantie uit de Verlichting. De periode van de eerste koningen der Nederlanden zag tegelijkertijd tegenwerking én een groeiend zelfbewustzijn, wat dankzij de liberale grondwet van 1848 uitmondde in het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853). Fryslân werd met geheel Noord-, Oost- en Midden-Nederland deel van het aartsbisdom Utrecht, aan wiens aartsbisschop de gelovigen een grote mate van trouw beleden.

De grondwettelijke scheiding van kerk en staat bezorgde het rooms-katholieke volksdeel een gunstige positie voor de vergroting van het eigen machtsgebied. In de katholieke zuil, afgebakend en gevoed door seculiere en reguliere clerus, werd een samenhangend en strak georganiseerd systeem van rooms-katholiek onderwijs, sociale politiek (stands- en vakorganisaties), gezondheidszorg, partijpolitiek en cultuur tot stand gebracht.

Ondanks de numerieke minderheid werden de rooms-katholieken zich steeds meer bewust van hun gesterkte positie en demonstreerden dat (ondanks het processieverbod) soms ook in de buitenlucht (katholiekendagen in Gaasterland) en op straat (1947, optocht wijding Bolswarder Gorgonius Hettinga tot bisschop). Deze zuil hielp de katholieke emancipatie voltooien. Zij zou stand houden tot en met de jaren 1960. Landelijk bekende Friese priesters uit deze periode waren de karmeliet Titus Brandsma en de aartsbisschoppen Johannes Jansen en Jan de Jong.

In 1956 kreeg Noord-Nederland een eigen bisdom Groningen. In de jaren 1960 en 1970 raakten de Friese rooms-katholieken ook meer gericht op de reformatorische kerkgemeenschappen, vooral via de Raad van Kerken. Tevens deed zich een mentaliteitsverandering voor, mede in het licht van de collegialiteitsgedachte, die resulteerde in de wens tot het vormen van pastorale raden (leken) en het versterken van de oecumene.

Hoewel ook de Friese rooms-katholieken te kampen hebben met polarisatie en kerkverdunning, was de afname van het aantal actieve leden procentueel aanmerkelijk minder groot dan elders in de kerkprovincie. Het aantal toetredingen ligt er eveneens relatief veel hoger. In 2010 telde het bisdom Groningen Leeuwarden 107.000 leden (Nederland: 4,1 miljoen). Het aantal parochies in Fryslân (2013: 38) zal niettemin in 2020 door grootschalige fusie gedaald zijn naar acht.

Zie: Jong, Tj.T. de e.a., Katholiek leven in Noord-Nederland, 19562006 (2006); Oldenhof, H.J., In en om de schuilkerkjes van Noordelijk Westergo (1967); Visser, J., De plaatselijke verspreiding der katholieken in Friesland tot het begin der 19de eeuw (1958); Bijdrage tot de kerkgeschiedenis van Friesland (1951).

< >