Kerkelijk college van priesters (kanunniken) die verbonden zijn aan een kathedraal of kapittelkerk (collegiaal kapittel).
Onder leiding van een deken (dagelijkse leiding) ondersteunt het kapittel de proost (de bisschop) in zijn bestuurstaak en bij functies van zijn kathedraal (eredienst, koorzang, onderwijs, bibliotheek). Ontstaan in de Merovingische periode (omstreeks zesde eeuw). Aanvankelijk begonnen als seculiere lekengemeenschap ontwikkelde het kapittel zich vanaf de negende eeuw tot een reguliere vorm met strikte observantie (Regel van Jeruzalem). Deze ontwikkeling werd in de late middeleeuwen uit opportuniteit teruggedraaid. Jongere zonen van edelen kregen zo enig aanzien en een gepast inkomen: prebende voor kanunnikplaats of -functies (beneficies) in ruil voor som geld of land aan het kloosterpatrimonium. Tegen deze verslapping ontstonden kloosterorden als augustijner koorheren, norbertijnen, dominicanen. In Fryslân zijn drie kapittels geweest:
1. Stavoren (St. Odulfus, 830-1132; werd benedictijner abdij);
2. Dokkum (760, augustijner koorheren; werd vanuit klooster Mariëngaarde omgezet in een proosdij voor premonstratenzer mannen, 1170-1580) en
3. Mariëngaarde (werd zelf in 1570 een kapittel van het nieuwe bisdom Leeuwarden). De term wordt ook gebruikt voor wekelijkse bijeenkomst van monniken in klooster en periodieke vergaderingen van leden van bedelorden (provinciaal en generaal-kapittel).
Zie: Vliet, K. van, In kringen van kanunniken (2002).