Nieuwe encyclopedie van Fryslân

Meindert Schroor PhH (2016)

Gepubliceerd op 09-01-2025

Alde Feanen - Oude Venen

betekenis & definitie

Cultuurhistorie Groot gebied (nu ruim 2500 ha.) van laagveen, moeras en water Z. van Warten, W. van Earnewâld en O. van Grou (behorend tot Boarnsterhim, Tytsjerksteradiel en Smallingerland).

Het overgrote deel is sinds de 12e eeuw vanuit het noorden in cultuur gebracht. De grens tussen Tytsjerksteradiel en Smallingerland vormde een veenscheiding. Z. daarvan startte de ontginning vanuit de Ie. Een gebied ten zuiden van de Folkertssleat is vanuit het westen ontgonnen. Daar (in de Wyldlannen) zijn in de 20e eeuw enkele verlaten huisterpen terug gevonden. Het pleistocene zand ligt niet diep. Daarop wijst bijv. ook de naam van het (ondiepe) meertje de Sânemar. Tot het begin van de 18e eeuw was het gebied vnl. in gebruik als rieten hooiland, als meenschar, voor de boeren van de omliggende dorpen. Het was alleen over water bereikbaar en er werd gevist. Het zou een jachtterrein voor de Friese stadhouders zijn geweest, die er mogelijk tot de eerste helft van de 18e eeuw een jachthut hadden, de Prinsehôf. Plannen uit de 16e, 19e en 20e eeuw om het gebied in te polderen werden niet uitgevoerd. Aan het einde van de 17e eeuw werd met vervening begonnen.

In de tweede helft van de 18e eeuw bracht de turfwinning volgens de Gieterse methode grote verandering. Er ontstonden aanvankelijk smalle en lange reststroken land (zetwallen en hagen) met daartussen water, dat zich verbreedde. Op kruispunten vergrootte het water zich door afslag. Natuurterreinen Het grootste laagveenmoerasgebied van Fryslân is in beheer bij It Fryske Gea (IFG) en voor een klein deel particulier eigendom. Het gebied is een kerngebied binnen de Ecologische Hoofdstructuur en in 1997 kreeg het bovendien de status van Nationaal Park toegewezen.

Ook maakt het onderdeel uit van het Europese Natura2000-netwerk van internationaal gezien belangrijke natuurgebieden. Al in 1923 kocht Natuurmonumenten de drie ha. grote Rengersmiede als natuurgebied aan. De aankoop van het gebiedsdeel ‘Prinsehôf' ter grootte van 134 ha., door IFG in 1934, was de eerste in een reeks die uiteindelijk leidde tot het nu circa 2.500 ha. grote natuurreservaat. Tot dan toe waren er al twee maal verregaande plannen geweest om het hele gebied in te polderen. Het ontbreken van technische mogelijkheden en het toenemen van de natuur- en recreatiebelangen voorkwamen dit.

De aankoop van de Prinsehôf verliep overigens niet zonder slag en stoot. Ook Hidde Halbertsma, ondernemer uit Grou, wilde het gebied graag kopen om er te vissen en te jagen. IFG kocht het gebied maar kwam met de Grouster overeen dat deze 25 jaar lang het jachten visrecht over het gebied kreeg. Van oorsprong was de Alde Feanen een aaneengesloten veenmoeras, doorsneden door beken en veenstromen en afgewisseld met meren, dat regelmatig werd overstroomd vanuit de Middelzee. Vanaf ongeveer 1000 jaar geleden kreeg de mens steeds meer invloed. De eerste mensen vestigden zich hier met hun vee op terpjes, de zogenaamde hússteeën waarvan nu nog restanten zijn te vinden op o.a. het deelgebied de Wyldlannen. Men voorzag destijds in zijn levensonderhoud door jacht, visserij, kleinschalige veeteelt en de winning van turf voor eigen gebruik.

Vanaf halverwege de 18e eeuw werd het gebied op grootschalige wijze verveend, waardoor rond 1900 nog slechts een uitgestrekt landschap van petgaten en veenplassen restte. Werden door de vervening diverse mensen rijk, nu leidden veel bewoners een armoedig bestaan. De naam Oude Venen is in deze tijd waarschijnlijk ontstaan in de betekenis van ‘verlaten verveningsgebied'. Het gebied kende destijds een grote dynamiek. 's Winters stond het regelmatig volledig onder water en bij springtij en zuidwestenwind kwam door opstuwing vanuit de Zuiderzee soms nog zeewater over dit deel van het lage midden van Fryslân heen, daarbij een laagje zilte en kalkrijke zeeklei achterlatend.

Eén van de grote bedreigingen van de Alde Feanen in de eerste helft van de 20e eeuw was het volstorten van petgaten met huisvuil door o.a. de gemeente Leeuwarden. De Ald Dwinger getuigt nog van deze geschiedenis. IFG verzette zich hiertegen en uiteindelijk werd met de gemeente Leeuwarden overeenstemming bereikt. Leeuwarden week uit naar het Bûtenfjild onder Veenwouden. In 1948 verscheen het boek Het Princehof waarvan Evert Zandstra eindredacteur was.

Bestuursleden van IFG, zoals de bioloog G.A. Brouwer en de florist D.T.E. Van der Ploeg werkten er aan mee. Het boek nodigde uit tot nadere studie van het wordingsproces van de Alde Feanen, een gebied dat altijd in ontwikkeling is. De Earnewâldster onderwijzer Douwe Franke voelde zich hierdoor aangesproken en heeft tot 1985 veel onderzoek gedaan, de natuur beschreven en besproken en daarmee vele mensen geïnteresseerd voor de natuur in dit gebied.

Dankzij de uitgestrektheid, de rust en een consequent beheer van gras- en rietlanden ontwikkelde het verlaten gebied zich tot een natuurreservaat van allure met een grote verscheidenheid aan planten en dieren. Vooral typische moerassoorten voelen zich hier thuis. De vegetatie ontwikkelt zich vanuit het open water, met daarin bijvoorbeeld waterlelie (swanneblom) en krabbescheer (ielstikel), via rietmoerasvegetaties zoals veenmosrietlanden waarin o.a. de veenmosorchis (malaksis) groeit en kruidenrijke rietlanden met soorten als koninginnenkruid (leverkrûd) en valeriaan ( faleriaan), uiteindelijk tot wilgen-, elzen- en berkenbos.

Wanneer riet jaarlijks wordt gemaaid en afgevoerd ontstaat ook veenheide met dopheide (skrobberheide) en veenbes ( feanbei), zoals we dat tegenwoordig bijvoorbeeld vinden in het deelgebied Tusken Sleatten. Vooral in de overgangsgebieden naar de landbouwgronden rondom de Alde Feanen liggen cultuurgraslanden met een belangrijke functie voor weidevogels. Graslanden op natte en voedselarme bodems die jaarlijks worden gemaaid vertonen blauwgraslandachtige begroeiingen met blauwe zegge (blaugerssigge), blonde zegge (ljochte sigge) en spaanse ruiter (soldatekwast).

Aan broedvogels kent het gebied een grote verscheidenheid. Ca. 100 verschillende soorten werden in dit gebied vastgesteld. Watervogels zoals bijvoorbeeld waterhoen (reidhintsje) en slobeend (slob), graslandvogels zoals watersnip (waarlamke) en veldleeuwerik (ljurk), rietmoerasvogels zoals waterral (wetterhintsje), kleine karekiet (karrekyt), rietzanger (reidsjonger) en bruine kiekendief (brune hoanskrobber) en bosen struweelvogels zoals blauwborst (blauboarstke), kleine bonte specht (lytse eksterspjocht), boompieper (beampiper) en havik (hauk).

In de Prinsehôf broedt sinds enkele decennia een kolonie aalscholvers (ielgoes) (278 broedpaar in 2010). 's Winters is het gebied een belangrijk rusten foerageergebied voor duizenden watervogels, zoals smient (smjunt), kolgans (blesgoes) en brandgans (paugoes). In het vroege voorjaar maken grote groepen steltlopers, zoals grutto (skries) en kemphaan (hoants), er een tussenstop, onderweg naar hun broedgebieden.

In het water leeft een rijke visgemeenschap met soorten als snoek (snoek), snoekbaars (snoekbears), brasem (brazem) en stekelbaars (toander), maar ook zeldzamere soorten zoals de grote modderkruiper. Ook de larven van vele soorten waterkevers en libellen, waaronder zeldzame soorten als de gevlekte witsnuitlibel (grutte glêzewasker), glassnijder (hynsteskaad) en groene glazenmaker (griene glêzebiter) leven in het water. Van de amfibieën is de rode lijstsoort heikikker het vermelden waard. Aan zoogdieren voelen vos ( foks), ree (ree), dwergmuis (nôtmûs), bunzing (murd) en laatvlieger (lette flearmûs) zich hier thuis. Maar ook de zeldzame boommarter (beamotter) en de Europees beschermde noordse woelmuis(rottekop) en meervleermuis (marflearmûs) leven in dit reservaat.

Vanwege het voorkomen van Europees gezien zeldzame begroeiingen en soorten is het gebied aangewezen als Natura2000-gebied. Nederland heeft een grote verantwoordelijkheid bij het behalen van de Europese instandhoudingsdoelen die voor deze gebieden zijn vastgelegd. Begin jaren negentig trok IFG nogmaals ten strijde voor de Alde Feanen. Er waren vergevorderde plannen om bij Earnewâld een bungalowpark met 315 huisjes te bouwen en IFG vreesde de toename van de druk op het natuurgebied. Het werd een felle strijd met de natuurbeheerder aan de ene kant en de provinciale en gemeentelijke overheden aan de andere.

Uiteindelijk gaf de Raad van State IFG ongelijk en kwam het park er. Het park had een grote impact op het karakter van het dorp. Helaas is nooit onderzocht wat het effect op de natuur is geweest. Positief effect van de strijd was dat er een overlegorgaan in het leven werd geroepen dat als doel had afspraken over het beheer en beleid in de Alde Feanen te maken. Dit overlegorgaan heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat de Alde Feanen de status van Nationaal Park kreeg. Inmiddels zijn een bezoekerscentrum en het Fries Landbouwmuseum samen in Earnewâld gehuisvest.

De recreatie die in het gebied plaatsvindt is voornamelijk natuur- en rustgebonden, zoals wandelen, fietsen, kanoën, zwemmen en 's winters natuurlijk schaatsen. IFG heeft een eigen rondvaartboot die vaart op zonne-energie. Diverse natuurontwikkelingsmaatregelen die de laatste decennia werden uitgevoerd hadden onder meer tot doel de waterkwaliteit te verbeteren en het moeras qua ontwikkelingsstadia completer en dynamischer te maken. Het ontbreken van watervegetaties en jonge verlandingsstadia zijn daarbij tegenwoordig belangrijke aandachtspunten.

Voorbeelden hiervan zijn het Otterproject in de deelgebieden de Koai, Cuba en it Bil in 1989, waarbij een drietal landbouwpolders werden vergraven tot een waterrijk moerasgebied, en de ontpoldering van de Jan Durkspolder en Wolwarren in 1989/1990, waarbij een kade rondom het gebied werd aangelegd en de bemaling werd opgeheven. Met de herinrichting Alde Feanen, die sinds 2000 wordt uitgevoerd door de Dienst Landelijk Gebied, worden de puntjes op de i gezet qua inrichting. In verschillende fasen wordt het gebied beter ingedeeld en ingericht voor de functies die het heeft, waarbij de functie natuur voorop staat.

In de jaren 2004-2006 kon met Europese LIFE-subsidie het gebied Westersanning/Wytse Boer worden ontpolderd en heringericht. Het doel van dit project was te experimenteren met een flexibel, dynamisch waterpeilbeheer. Door hier hoge en lage peilen af te wisselen met de peilen in de Jan Durkspolder en Wolwarren hoopt men een dusdanig dynamisch, zichzelf in standhoudend moerasmilieu te creëren dat een soort als de noordse woelmuis zich hier weer beter thuis gaat voelen. In 1988 werd bij Langwar een otter (otter) doodgereden die beschouwd wordt als de laatste otter van de Alde Feanen. In 2011 is, als kroon op het vele natuur- en milieuherstelwerk dat sinds 1988 werd uitgevoerd in de Alde Feanen, de otter geherintroduceerd in dit gebied en lijkt zich daar te kunnen handhaven.

Zie: Toering, A. Nammekunde Earnewâld en omkriten (s.a. = 2009) 28-29,105-107; Rintjema, S. e.a. De Alde Feanen (2001) 10-83; Ottema, N., ‘Geschiedenis der Oude Venen', in: Zandstra, E. e.a., Het Princenhof (1948) 142-154; Dokkum, H.C. van, Princenhof (1944);Handboek IFG 9-17, 137-146.

< >