Genieten, bw. ong. (ik genoot, heb genoten), genot hebben van, smaken, gevoelen, eene aangename gewaarwording ondervinden; ontvangen, verkrijgen; voedsel nemen; bezitten (in eigendom); vrucht trekken (van iets).
*...ER, m. (-s).
*...STER, v. (-s).
*...ING, v. (-en).