Gepubliceerd op 04-08-2020

Dagelijks

betekenis & definitie

Dagelijks, bijw. alle dag, iederen dag.

*-SCH, bn. alle dag; dat is zijne -e gewoonte; de -e omwenteling der aarde om hare as; (fig.) ik heb mijn (het) - brood, een matig bestaan; het - bestuur eener gemeente, burgemeester en wethouders.