Segregatie betekenis & definitie

Scheiding van de twee genvarianten bij de vorming van gameten door een diploïd organisme, d.w.z. elke geslachtscel krijgt slechts één van de twee allelen

De Augustijner monnik Gregor Johann Mendel (1822-1884) deed kruisingsproeven met o.a. erwtenplanten (Pisum sativum) in de kloostertuin van Brno (in het huidige Tsjechië) en ontwikkelde op basis van zijn waarnemingen een theorie over de erfelijkheid die radicaal verschilde van de oude (en verkeerde) gedachten die heersten bij zijn tijdgenoten, o.a. Charles Darwin. Maar de publicatie van Mendels ontdekkingen in 1865 trok weinig aandacht; zijn wetten werden herontdekt rond 1900, door de Nederlander Hugo de Vries, de Duitser Carl Correns en de Oostenrijker Erich von Tschermak, alle drie plantkundigen. De Britse bioloog William Bateson suggereerde bij de Engelse publicatie van Mendels werk in 1902, dat dit nieuwe vakgebied “genetica” moest heten.

Mendel nam aan dat de erfelijke aanleg bestaat uit discrete eenheden die in elk organisme in tweevoud aanwezig zijn; van deze twee factoren is er één dominant (bepaalt het fenotype) en de ander recessief (is alleen bepalend bij afwezigheid van de dominante factor). Hij ging er verder van uit dat deze twee factoren behouden blijven bij de overerving, maar zich van elkaar scheiden (segregeren) bij de vorming van gameten; ze komen weer samen bij de bevruchting. De nieuwe generatie ontstaat door lukrake combinaties van erfelijke factoren uit de gameten, waardoor de kwantitatieve frequenties van fenotypes onder het nakomelingschap voorspeld kunnen worden.

Het is een achteraf een wonder dat Mendel op basis van zijn eenvoudige proeven deze – volkomen correcte – redenering kon opzetten. Hij heeft enigszins geluk gehad met zijn experimentele systeem. Pisum sativum is een zeer geschikte modelsoort voor dit doel.