Nico M. van Straalen

Em. Professor of Animal Ecology

Gepubliceerd op 07-10-2019

2019-10-07

Genotype

betekenis & definitie

De erfelijke aanleg van een individu, met name de wijze waarop die erfelijke aanleg is vastgelegd in coderende of niet-coderende onderdelen van iemands DNA

Bij de specificatie van een genotype wordt aangegeven welke variant van een gen iemand draagt op elk van de twee chromosomen. Bijvoorbeeld, van het gen dat codeert voor het ABO bloedgroepensysteem bestaan drie varianten (allelen), A, B en O, en er zijn dus zes mogelijke genotypes: AA, AB, AO, BB, BO en OO. De term genotype kan ook slaan op niet-coderende DNA-sequenties en wordt ook gebruikt voor het totale pakket van iemands genen.

Naast een genotype heeft iemand ook een fenotype; dat zijn de uiterlijk waarneembare kenmerken die, geheel of gedeeltelijk, beïnvloed worden door het genotype. Voor eenvoudige kenmerken kan het fenotype direct uit het genotype afgeleid worden, mits de dominantieverhoudingen tussen de diverse allelen bekend zijn. Men spreekt van dominantie als het fenotype bepaald wordt door één van de twee allelen (de ander wordt recessief genoemd). Het recessieve allel is alleen zichtbaar in de uiterlijke kenmerken als beide chromosomen hem dragen. Voor de bloedgroepen ABO domineert A over O, B over O, terwijl A en B beide in het fenotype tot uitdrukking komen. Er zijn dus vier fenotypes (bloedgroepen), namelijk bloedgroep A (genotypes AA en AO), bloedgroep B (genotypes BB en BO), bloedgroep AB (genotype AB) en bloedgroep O (genotype OO).

Voor complexe kenmerken is de relatie tussen genotype en fenotype vaak erg ingewikkeld en spelen het milieu en de ontwikkeling een belangrijke rol. Zo wordt iemands IQ-score (een fenotype) beïnvloed door het aantal kopieën van het gen DUF1220 (een genotype), maar daarnaast door talloze andere genetische kenmerken.

Bronvermelding