Geleedpotige dieren; zeer groot fylum van gesegmenteerde dieren met een chitineus exoskelet en gelede poten
Arthropoda is een zeer diverse maar ook duidelijk samenhangende monofyletische groep binnen de Ecdysozoa. Het is naar soorten het grootste fylum van het dierenrijk, vooral vanwege de enorme rijkdom aan insecten. Als succesfactoren gelden de modulaire lichaamsbouw die veel mogelijkheden biedt voor variatie, het vliegvermogen en de metamorfose, wat het mogelijk maakt om tijdens het leven verschillende habitats te gebruiken.
Alle Arthropoda hebben een open bloedsomloop met het koperhoudende eiwit haemocyanine als zuurstoftransporterend molecuul. Er is geen coeloom maar een lichaamsholte gevuld met haemolymfe die door spierbewegingen in circulatie gehouden wordt, al is er wel vaak een dorsaal bloedvat en bij de grotere soorten ook een hart. Het exoskelet van chitine brengt met zich mee dat arthropoden moeten vervellen zolang ze groeien. Kreeftachtigen en miljoenpoten hebben kalkafzettingen in hun exoskelet.
De vier bekendste groepen van de Arthropoda zijn Crustacea (kreeften, krabben, pissebedden, vlokreeftjes, watervlooien, e.d.), Hexapoda (springstaarten, insecten), Myriapoda (duizendpoten, miljoenpoten) en Chelicerata (spinnen, schorpioenen, hooiwagens, mijten), maar in totaal zijn er minstens 30 verschillende klassen te onderscheiden. De hoofdsplitsing in het fylum is tussen Mandibulata (Myriapoda, Crustacea en Insecta) met kaken en Chelicerata met klauwpoten. De Hexapoda (met de insecten) blijken een afsplitsing te zijn van de Crustacea; daarom worden die twee ook wel samengenomen tot de monofyletische groep Pancrustacea.
Aan het begin van het Paleozoïcum domineerden de Arthropoda het mariene milieu, wat blijkt uit de vele kreeftachtigen (o.a. Trilobita) in de fossiele collecties uit het Cambrium, maar later zijn er minstens vier verschillende terrestrialisaties opgetreden, waarschijnlijk tijdens het Ordovicium.