Een van de vier evolutionaire hoofdlijnen van de placentale zoogdieren; dieren die in Afrika evolueerden
De Placentalia ontstonden al tijdens het Meosozoïcum maar begonnen pas soortenrijk en talrijk te worden tijdens het Eoceen, toen de continenten van het oorspronkelijke Pangea uit elkaar dreven. De groep dieren die op het Afrikaanse continent leefden werden gescheiden van de dieren in Laurazië en ondergingen hun eigen evolutie. Het Arabisch schiereiland is hierbij nog tot Afrika te rekenen omdat de scheiding van de Rode Zee nog nauwelijks bestond.
De Afrotheria worden als de meest oorspronkelijke groep gezien van de placentale zoogdieren. In fylogenieën splitsen ze als eerste af, na de buideldieren.
Tot de Afrotheria behoren een aantal zoogdiergroepen die in morfologische zin weinig gedeelde eigenschappen lijken te hebben, namelijk Hyracoidea (klipdassen), Proboscidea (olifanten), Sirenia (zeekoeien), Tubulidentata (aardvarks), Macroscelidea (springspitsmuizen) en Afrosoricida (tenreks en goudmollen). Het is een merkwaardige verzameling, waarvan de monofylie pas duidelijk werd toen men met DNA-onderzoek de verwantschap ging onderzoeken. Dat aardvarks, zeekoeien, olifanten en klipdassen en in één monofyletische groep passen was voor velen een verassing.
Toch zijn er een aantal gedeelde kenmerken, o.a. de late doorkomst van het permanent gebit, wat samenhangt met de aanzienlijke groei van de schedel vóór de volwassenheid. Ook het houden van de testis in het abdomen (testicondie) is een gedeelde eigenschap; geen van de Afrotheria heeft een scrotum. Ook hebben de meeste Afrotheria een placenta van het hemochoriale type, d.w.z. een invasieve placenta waarbij het moederlijk bloed direct contact maakt met het chorion van de vrucht (zoals ook bij de mens). Dit type placenta is voorouderlijk voor de Placentalia.