Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Gepubliceerd op 10-03-2020

Janhagel

betekenis & definitie

D.w.z. het gepeupel, de heffe des volks, het gemeene volk, hak en mak, hak en zijns gemak; sedert de 17de eeuw zeer gewoon (zie [i]Ndl.

Wdb.[/i] VII, 199). In de 17de eeuw verstond men onder dezen naam ook de matrozen en was Janhagel hetzelfde als Jan Rap; 17de eeuw: hagelschut, gepuffel, gorle goy, enz., menschen van den zelfkant der maatschappij’.Eigenlijk wil deze benaming zeggen: Jan, die telkens uitroept: de hagel sla hem of de hagel schen hem! uitdrukkingen, verwenschingen, die in de 17de eeuw zeer gewoon zijn (vgl. Winschooten, 56; Westerbaen II, 452; 472; Vondel's Joseph in Dothan, vs. 158; Huygens VII, 143; etc.). Andere dergelijke benamingen zijn Jan doeter niet toe (Moortje, vs. 2935) en Jantje Goddome (Molema, 183 en Potgieter); Jandore, Janstramme (Jan straffe mij), Jan(ver)domme, Jan verdekke, Jan patat, Sakkerjan (Zuid-nederl.), waarin Jan evenwel een verbastering is van God (Schuerm. 207 b; Teirl. II, 93). In het hd. is de naam Janhagel eveneens bekend, waarnaast in de 18de ook Hans-hagel en Johann hagel voorkwam.