Nederlandse spreekwoorden

F.A. Stoett (1923-1925)

Gepubliceerd op 10-03-2020

Een blok aan het been hebben

betekenis & definitie

D.w.z. niet vrij zijn in zijne handelingen; getrouwd zijn.

In de 16de eeuw komt de uitdr. in den tegenwoordigen zin voor; zie Visscher, Brabb. 37; Smetius, 85: Het is goet kinderen vroech houwelicken, een blok aent been werpen, opdatse sorgen ende sitten leeren te weeten, dieghene die wat lichtverdig ende sonder sorge zijn; V. Moerk. 484:Neen, bylö, geen block aen 't been, die plaegen most ick schouwen.

Ja, voor een nachje of twee wou ik wil eens trouwen;

Maer niet voor eeuwighlijck geef ick my tot dat werck.

Carel v. Mander:

Wech lichte schoenen, niet meer men reyster,

Men wort al haest geblockt vast aen de vreyster.

Bij Van Effen, Speet. VIII, 15: Zich een blok aan het been hechten (trouwen); bij Sewel 125: De jeugd heeft een blok aan het been noodig om haar wuftheid te bedwingen; een blok aan 't been hebben, to be married, to have a wife. Tuinman 1,160 vat het in ruimeren zin op, nl. ‘ergens aan verbonden zijn, waardoor men belemmerd is’, en denkt aan de paarden, wien men aan een der voorpooten een blok, een kluister vastbindt, waardoor zij belet worden ‘uit de weide te springen’, een verklaring die steun vindt in het fri.: in bongel oan 'e foet habbe; in het Gron. 'n bongel an 't bijn hebben (Molema 50; 506) en 't Overijs. 'n bungel an 't bien, een lastpost (Draaijer, 7); Borchardt, 1123: he hett 'n Büngel an 't Been, d.h. er ist gehindert wie ein gebengelter Hund (Eckart, 67); nd. enen Block an 't Bên hebben, verheiratet sein (Eckart, 55). Vgl. nog Teirlinck, 108: Den blok an 't been hebben, zwanger gaan (zie ook De Cock, 169 en Ndl. Wdb. II, 1607); Waasch Idiot. 125: Met den blok aan 'tbeen zitten, in slechten, niet te veranderen toestand zijn; Gunnink, 113: een bongelan bien, getrouwd V. Schothorst, 113: een bongel an 't bien, een onecht kind. In de gedichten van Anna Bijns, Nieuwe Refr. 36 a worden de vrouwen tegen het huwelijk gewaarschuwd, daar zij anders ‘eenen worpriem1) aen haer beenen’ krijgen.