Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

Gepubliceerd op 14-11-2017

zout

betekenis & definitie

zout - zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord

1. kleine witte korreltjes die de smaak van het eten versterken
♢ er moet wat zout bij de aardappels
1. hij verdient het zout in de pap niet
[verdient bijna niets]
2. iets met een korreltje zout nemen
[het niet te letterlijk opvatten]
3. het zout in de pap niet verdienen
[bijna niets verdienen]
4. peper- en zoutkleurig
[gedeeltelijk grijs]
5. op alle slakken zout leggen
[overal opmerkingen over maken]
6. zout in de wonde wrijven
[een vervelende opmerking maken over iets wat pijnlijk is]
7. dat is het zout in de pap
[wat het interessant, boeiend maakt]
2. met zout erin of erop
♢ zeewater heeft een zoute smaak
1. zo zout heb ik het nog nooit gegeten
[zoiets raars heb ik nog nooit meegemaakt]
2. zout water
[zeewater]

Zelfstandig naamwoord: zout
het zout
Bijvoeglijk naamwoord: zout
... is zouter dan ...
het zoutst
de/het zoute ...
iets zouts

Tegenstellingen
flauw

< >