Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

2017-11-30

zo

betekenis & definitie

zo - afkorting, bijwoord, voegwoord

1. zondag
♢ op za en zo zijn wij gesloten

1. zuidoost
♢ die plaats ligt in Z.O. Frankrijk

1. op deze manier
♢ dat moet je zo doen
2. over een poosje
♢ ik kom zo
3. net als
♢ zo vader zo zoon
4. geeft een voorwaarde aan, in het geval dat
♢ zo nodig kom ik helpen
1. zo mogelijk
[als het mogelijk is]
5. als iets uit de werkelijkheid
♢ zo iemand ontmoet je niet vaak
6. in die mate
♢ hij is al zo groot als zijn vader
1. zo goed als
[bijna]
2. zo snel mogelijk
[met de snelheid die mogelijk is]

Afkorting: zo

Afkorting: Z.O.

Algemene uitdrukkingen:
1. zo'n twee meter
[ongeveer twee meter]
2. goed zo
[goed]
3. hoe zo?
[wat bedoel je daarmee]
4. zo goed en zo kwaad als het lukte
[zover als het lukte]
5. is dat zo?
[is dat waar]
6. dat lijkt maar zo
[het lijkt er alleen maar op]
Bijwoord: zo
Voegwoord: zo

Synoniemen
aanstonds, aldus, als, alsook, dadelijk, dermate, dusdanig, evenals, indien, ingeval, straks, terstond, wanneer, zodanig

Tegenstellingen
acuut, dadelijk, direct, evenmin, gelijk, meteen, ogenblikkelijk, onmiddellijk, onverwijld, terstond, zomin