Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

zitten

betekenis & definitie

zitten - onregelmatig werkwoord
uitspraak: zit-ten

1. daar zijn
hij zit boven
1. in het bestuur zitten
[bestuurslid zijn]
2. op voetbal zitten
[lid zijn van een voetbalclub]
3. blijven zitten
[niet overgaan naar de volgende klas]
2. op je billen rusten
♢ hij zit in de grote stoel
1. ermee blijven zitten
[het niet kwijtraken]
2. ergens mee zitten
[het een probleem vinden]
3. iemand laten zitten
[hem in de steek laten]
4. hij ging ervoor zitten
[nam er de tijd voor, had er aandacht voor]
5. blijven zitten
[op school nog een jaar in dezelfde klas moeten blijven]
3. in die toestand zijn
♢ hij zit in spanning
1. in de schulden zitten
[schulden hebben]
2. zonder werk zitten
[geen werk hebben]
3. ergens doorheen zitten
[aan het eind van je krachten zijn]
4. iets wat daar is
♢ er zit een vlek op je broek
1. het zit me tot hier
[ik heb er genoeg van]
2. dat zit hem hoog
[daar is hij verontwaardigd over]
3. daar zit iets achter
[dat betekent nog iets anders]
4. hij laat het er niet bij zitten
[neemt maatregelen om het te veranderen]
5. die bal zit!
[hij is in het doel gekomen]
5. passen
♢ dat jasje zit goed
1. dat zit als gegoten
[past perfect]
6. ermee bezig zijn
♢ hij zit te kleuren

Algemene uitdrukkingen:
1. hoe zit dat in elkaar?
[hoe is het gemaakt]
2. ergens aan zitten
[het aanraken]
3. het niet op je laten zitten
[wraak nemen]
4. dat zit zo
[ik zal je uitleggen hoe het is]
5. laat maar zitten
[ik hoef geen geld terug]
6. laat maar zitten
[ik hoef er niet meer over te praten]
7. het zit er niet in dat ...
[het is niet mogelijk]
8. hij zit ernaast
[heeft het mis]
9. die zit
[die opmerking was raak]
10. dat zit wel goed
[dat is wel in orde]
11. het zit erop
[het werk is klaar]
12. er zit niets anders op
[het is de enige oplossing]
13. ik zie het wel zitten
[het lijkt me wel iets]
14. ergens om zitten te springen
[het dringend nodig hebben]
Onregelmatig werkwoord: zit-ten
ik zit
jij/u zit
hij/zij zit
wij/zij/jullie zitten
ik/jij/u/hij/zij zat
wij/zij/jullie zaten
hij heeft gezeten
de/het/een gezeten ....
zittend, zittende

Synoniemen
bevinden, ophouden