zichzelf betekenis & definitie

zichzelf - voornaamwoord
uitspraak: zich-zelf

1. wederkerend, derde persoon enkelvoud
hij ziet zichzelf in de spiegel
1. tot zichzelf komen
[weer rustig worden]
2. op zich(zelf) vind ik het best
[los van al het andere]
3. in zichzelf praten
[iets tegen jezelf zeggen]
4. voor zichzelf beginnen
[een eigen zaak beginnen]
5. hij blijft zichzelf
[laat zich niet beïnvloeden]
6. de foto's spreken voor zich
[er is geen uitleg nodig]
2. tweede persoon enkelvoud, beleefdheidsvorm
♢ u moet zichzelf wat meer rust gunnen

Voornaamwoord: zich-zelf