wortelen betekenis & definitie

wortelen - regelmatig werkwoord
uitspraak: wor-te-len

1. zich met wortels vasthechten in de grond
♢ de plantenstek was na drie dagen al geworteld
2. lijken alsof het met wortels vastzit
♢ de haat was diep geworteld in zijn hart
1. ze stoelen niet op één wortel, maar ze wortelen op één stoel
[gezegd van een kabinet dat niet wil aftreden]

Regelmatig werkwoord: wor-te-len
ik wortel
jij/u wortelt
hij/zij wortelt
wij/zij/jullie wortelen
ik/jij/u/hij/zij wortelde
wij/zij/jullie wortelden
hij is geworteld
de/het/een gewortelde ....
wortelend, wortelende

Laatst bijgewerkt 14-11-2017