Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

winkelen

betekenis & definitie

winkelen - regelmatig werkwoord
uitspraak: win-ke-len

1. winkels bezoeken om rond te kijken en dingen te kopen
♢ op onze vrije zaterdag gaan we altijd winkelen

Regelmatig werkwoord: win-ke-len
ik winkel
jij/u winkelt
hij/zij winkelt
wij/zij/jullie winkelen
ik/jij/u/hij/zij winkelde
wij/zij/jullie winkelden
hij heeft gewinkeld
winkelend, winkelende

Synoniemen
shoppen