wijk betekenis & definitie

wijk - zelfstandig naamwoord

1. gedeelte van een stad of plaats
♢ de wijk waarin Victoria woont, heet Oud-Zuid
1. een krantenwijk
[de straten waarin iemand de krant bezorgt]
2. de wijk nemen
[vluchten]

Zelfstandig naamwoord: wijk
de wijk
de wijken
het wijkje

Synoniemen
woonbuurt