weg betekenis & definitie

weg - bijwoord, zelfstandig naamwoord

1. wat je niet meer kunt vinden
ik heb overal gezocht maar mijn pen is weg
1. dat is nooit weg!
[dat komt later wel van pas]
2. er verrukt van zijn, het prachtig vinden
♢ ik ben weg van die gebloemde gordijnen
3. niet (meer) aanwezig
♢ de les is afgelopen en de leraar is al weg
1. maak dat je weg komt!
[ga weg]
2. even weg zijn
[in slaap, of in gedachten zijn]

1. strook grond die geschikt is voor verkeer
♢ die weg loopt van Amsterdam naar Amstelveen
1. u moet deze weg houden
[op deze weg blijven]
2. je eigen weg gaan
[je leven op je eigen manier inrichten]
3. zo oud als de weg naar Rome
[heel oud]
4. de weg voor iemand banen
[hindernissen voor hem weghalen]
5. gebaande wegen bewandelen
[dingen doen die anderen voorbereid hebben]
6. de officiële weg bewandelen
[volgens de voorschriften handelen]
7. in geen velden of wegen te bekennen
[nergens]
8. de weg van de minste weerstand
[de makkelijkste methode]
9. waar een wil is, is een weg
[als je iets werkelijk wilt, is er ook een oplossing voor]
10. aan de weg timmeren
[naar buiten treden met iets vernieuwends]
2. route die je moet volgen om er te komen
♢ weet u de weg naar Zaandam?
1. hem de weg wijzen
[vertellen hoe hij moet lopen of rijden]
2. in de weg staan
[de doorgang versperren]
3. we gaan op weg
[ergens naar toe]
4. hem op weg helpen
[in het begin even helpen]
5. naar de bekende weg vragen
[iets vragen waar je het antwoord al van weet]
6. hem uit de weg gaan
[zorgen dat je hem niet ontmoet]
7. hem iets in de weg leggen
[hem hinderen]
8. hem uit de weg ruimen
[vermoorden]

Algemene uitdrukkingen:
1. zij hebben veel van elkaar weg
[ze lijken veel op elkaar]
2. dat is nooit weg
[daar heb je altijd iets aan]
3. langs zijn neus weg
[terloops]
4. voor het vaderland weg
[zomaar, lukraak]
5. voor de vuist weg
[onvoorbereid]
6. in het wilde weg
[zomaar, lukraak]
Bijwoord: weg

Zelfstandig naamwoord: weg
de weg
de wegen
het wegje of weggetje

Synoniemen
absent, ervandoor, foetsie, kwijt, verdwenen, zoek

Tegenstellingen
aanwezig, present