weer betekenis & definitie

weer - bijwoord, zelfstandig naamwoord

1. opnieuw
je hebt weer een koekje gepakt!
1. ze heeft weer eens gelogen
[voor de zoveelste keer]
2. hoe laat begint de les ook al weer
[ik heb het wel geweten, maar ik weet het niet meer]
2. er vandaan
♢ de slinger gaat heen en weer
1. die tijd komt nooit weer
[komt nooit meer terug]

1. temperatuur, bewolking, neerslag en wind
♢ het is mooi weer vandaag
1. mooi weer spelen
[net doen alsof er niets aan de hand is]
2. in weer en wind
[altijd, hoe slecht het weer ook is]
3. het is geen weer
[heel slecht weer]
4. er is zwaar weer op komst
[het gaat stormen/ er komen moeilijke tijden]
5. weer of geen weer
[ongeacht de omstandigheden]
6. door weer en wind
[in slechte weersomstandigheden]

Bijwoord: weer

Algemene uitdrukkingen:
1. het weer zit erin
[het is aangetast door vocht]
Zelfstandig naamwoord: weer
het weer
het weertje

Synoniemen
nog, wederom

Tegenstellingen
heen