Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

vol

betekenis & definitie

vol - bijvoeglijk naamwoord

1. het bevat zoveel dat er niets bij kan
♢ de beker zit helemaal vol
1. er vol van zijn
[over niets anders meer kunnen praten of denken]
2. het was een volle bak
[een uitverkochte zaal]
3. ergens de buik vol van hebben
[er niets meer mee te maken willen hebben]
4. ergens de handen vol aan hebben
[het er druk mee hebben]
5. de maat is vol
[ik accepteer het niet langer]
6. ergens de mond vol van hebben
[er voortdurend over praten]
2. zonder dat er iets aan ontbreekt
♢ zij wacht al een vol uur
1. iemand voor vol aanzien
[hem serieus nemen]
2. de volle laag krijgen
[veel verwijten krijgen]
3. in zijn volle lengte
[met zijn hele lichaam]
4. het volle leven
[het werkelijke leven]
5. in het volle licht staan
[goed opgemerkt worden]
6. de volle mep betalen
[het hele bedrag]
7. het volle pond betalen
[de hele som]
8. ten volle
[volkomen]
9. op volle toeren
[uit alle macht]
3. gevuld, bol
♢ ons buurmeisje Kathleen heeft een vol gezicht
1. uit volle borst zingen
[luidkeels]

Algemene uitdrukkingen:
1. in volle ernst
[heel ernstig]
2. hem voor vol aanzien
[hem serieus nemen]
3. iemand de huid vol schelden
[hem overladen met scheldwoorden]
Bijvoeglijk naamwoord: vol
... is voller dan ...
het volst
de/het volle ...

Synoniemen
opgeblazen, rond

Tegenstellingen
leeg