Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

voet

betekenis & definitie

voet - zelfstandig naamwoord

1. deel van je lichaam onderaan je been
ik heb mijn voeten nodig om te staan en te lopen
1. onder de voet gelopen worden
[weggedrukt door een menigte]
2. hem voor de voeten lopen
[in de weg lopen]
3. op voet van gelijkheid
[als twee gelijken]
4. voet bij stuk houden
[niet toegeven]
5. ten voeten uit
[helemaal zoals hij is]
6. te voet gaan
[lopend]
7. voetje voor voetje
[heel langzaam]
8. op de voet volgen
[van heel dichtbij]
9. op vrije voeten
[uit de gevangenis]
10. hem de voet dwars zetten
[tegenwerken]
11. hem het gras voor de voeten wegmaaien
[iets zeggen wat de ander óók juist had willen zeggen]
12. op grote voet leven
[met geld smijten]
13. belastingvrije voet
[deel van het inkomen waarover je geen belasting hoeft te betalen]
14. een wit voetje halen
[iets doen om indruk te maken]
15. je uit de voeten maken
[snel weggaan]
16. hem iets voor de voeten gooien
[verwijten]
17. geen voet buiten de deur zetten
[binnen blijven]
18. op de oude voet voortzetten
[op dezelfde manier]
19. op goede voet staan
[vriendschappelijk met elkaar omgaan]
20. ermee uit de voeten kunnen
[er goed mee kunnen werken]
21. op staande voet
[voordat je één voet verzet, meteen, dadelijk]
22. dat is hem ten voeten uit
[dat is kenmerkend voor hem]
23. dat heeft heel wat voeten in de aarde gehad
[heeft veel moeite gekost]

Zelfstandig naamwoord: voet
de voet
de voeten
het voetje