voeren betekenis & definitie

voeren - regelmatig werkwoord
uitspraak: voe-ren

1. in een bepaalde richting gaan
♢ de trein voerde ons naar het zuiden
1. dat voert te ver
[dat gaat te ver, dan dwalen we te veel af]
2. voedsel geven
♢ heb je de kippen al gevoerd?
1. iemand voeren
[dingen zeggen terwijl je weet dat hij er boos door wordt]
2. hem dronken voeren
[teveel alcohol laten drinken]
3. er een binnenlaag in maken
♢ deze jurk is helemaal gevoerd

Algemene uitdrukkingen:
1. oorlog voeren
[in oorlog zijn]
2. het woord voeren
[iets zeggen]
3. een gesprek voeren
[met iemand praten]
Regelmatig werkwoord: voe-ren
ik voer
jij/u voert
hij/zij voert
wij/zij/jullie voeren
ik/jij/u/hij/zij voerde
wij/zij/jullie voerden
hij heeft gevoerd
de/het/een gevoerde ....
voerend, voerende

Synoniemen
leiden, voeden, voederen