Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

vis

betekenis & definitie

vis - zelfstandig naamwoord

1. koudbloedig, gewerveld dier dat in het water leeft
hij heeft met zijn hengel een grote vis gevangen
1. hem voor rotte vis uitmaken
[heel erg uitschelden]
2. zo gezond als een vis
[helemaal gezond]
3. je voelen als een vis in het water
[erg prettig, echt op je plaats]
4. de vis wordt duur betaald
[je moet er veel voor over hebben]
5. het is vlees noch vis
[het een noch het ander]
6. als een vis op het droge
[hulpeloos]
7. boter bij de vis
[contante betaling]
8. de vis wordt duur betaald
[vraagt grote offers]
9. vis moet zwemmen
[als je vis eet, moet je erbij drinken]

Zelfstandig naamwoord: vis
de vis
de vissen
het visje