Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

vertrouwen

betekenis & definitie

vertrouwen - regelmatig werkwoord, zelfstandig naamwoord
uitspraak: ver-trou-wen

1. geloven dat hij eerlijk is
♢ ik vertrouw deze aannemer volkomen
2. op iets of iemand rekenen
♢ ze vertrouwt op haar gevoel

1. het geloof dat je op iemand kunt rekenen
♢ ik heb wel vertrouwen in mijn vriend
1. daar heb ik geen vertrouwen in
[ik geloof niet dat het zal lukken]
2. ze is erg goed van vertrouwen
[denkt dat iedereen eerlijk is]
3. hem in vertrouwen nemen
[een geheim vertellen]

Regelmatig werkwoord: ver-trou-wen
ik vertrouw
jij/u vertrouwt
hij/zij vertrouwt
wij/zij/jullie vertrouwen
ik/jij/u/hij/zij vertrouwde
wij/zij/jullie vertrouwden
hij heeft vertrouwd
de/het/een vertrouwde ....
vertrouwend, vertrouwende

Zelfstandig naamwoord: ver-trou-wen
het vertrouwen

Tegenstellingen
wantrouwen