Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

uitdraaien

betekenis & definitie

uitdraaien - regelmatig werkwoord
uitspraak: uit-draai-en

1. resultaat hebben
dat draait natuurlijk weer op ruzie uit
2. de knop omzetten zodat het niet meer werkt
♢ wil je het gas even uitdraaien
3. op papier afdrukken van gegevens
♢ wil je dit bestand even voor mij uitdraaien?

Regelmatig werkwoord: uit-draai-en
ik draai uit (... ik uitdraai)
jij/u draait uit (... jij uitdraait)
hij/zij draait uit (... hij uitdraait)
wij/zij/jullie draaien uit (... wij uitdraaien)
ik/jij/u/hij/zij draaide uit (... ik uitdraaide)
wij/zij/jullie draaiden uit (... wij uitdraaiden)
hij heeft uitgedraaid
de/het/een uitgedraaide ....
uitdraaiend, uitdraaiende

Synoniemen
afdraaien, afzetten, uitdoen, uitknippen, uitlopen, uitmonden, uitschakelen, uitzetten

Tegenstellingen
aanzetten, inschakelen