Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

uitbroeden

betekenis & definitie

uitbroeden - regelmatig werkwoord
uitspraak: uit-broe-den

1. op de eieren zitten tot de jongen eruit komen
♢ de kip heeft drie eieren uitgebroed
1. hij heeft een plan uitgebroed
[hij heeft een plan bedacht]

Regelmatig werkwoord: uit-broe-den
ik broed uit (... ik uitbroed)
jij/u broedt uit (... jij uitbroedt)
hij/zij broedt uit (... hij uitbroedt)
wij/zij/jullie broeden uit (... wij uitbroeden)
ik/jij/u/hij/zij broedde uit (... ik uitbroedde)
wij/zij/jullie broedden uit (... wij uitbroedden)
hij heeft uitgebroed
de/het/een uitgebroede ....
uitbroedend, uitbroedende