toon betekenis & definitie

toon - zelfstandig naamwoord

1. klank met bepaalde hoogte
♢ met welke toon begint dit lied?
1. hij zal wel een toontje lager zingen
[minder praatjes hebben]
2. zij valt uit de toon in dit gezelschap
[past niet bij de rest]
3. hij geeft altijd de toon aan
[is het voorbeeld voor anderen]
4. de toon zetten
[de stemming bepalen]
2. manier van praten
♢ op luide toon vertelde hij zijn verhaal
1. hij sloeg een andere toon aan
[ging beleefder praten]
2. op hoge toon
[hooghartig, dwingend, bevelend]

Zelfstandig naamwoord: toon
de toon
de tonen
het toontje