Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

tellen

betekenis & definitie

tellen - regelmatig werkwoord
uitspraak: tel-len

1. opeenvolgende getallen opsommen
ze telde tot honderd
1. kijken alsof je niet tot tien kunt tellen
[heel onnozel kijken]
2. bepalen hoeveel het er zijn
♢ het aantal leerlingen is geteld
3. een bepaalde waarde hebben
♢ dat doelpunt telt niet
1. deze kaart telt dubbel
[die is twee keer zoveel waard]

Regelmatig werkwoord: tel-len
ik tel
jij/u telt
hij/zij telt
wij/zij/jullie tellen
ik/jij/u/hij/zij telde
wij/zij/jullie telden
hij heeft geteld
de/het/een getelde ....
tellend, tellende