Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

taal

betekenis & definitie

taal - zelfstandig naamwoord

1. systeem van klanken, letters, woorden waarmee je iets duidelijk maakt
♢ welke taal spreekt u?
1. moderne talen
[Engels, Frans en Duits]
2. klassieke talen
[Grieks en Latijn]
3. een dode taal
[die niemand meer spreekt]
4. grove taal uitslaan
[lelijke woorden gebruiken]
5. zwijgen in alle talen
[niets zeggen]
6. hij gaf taal noch teken
[liet niets van zich horen]
7. een levende taal
[die nog gesproken wordt]
8. een vreemde taal
[een buitenlandse taal]
2. het gebruik van een taalsysteem
♢ de taal van deze dichter is prachtig
1. bloemrijke taal
[met veel beeldspraak]
2. duidelijke taal spreken
[begrijpelijk zijn]
3. gepeperde taal
[met harde oordelen]
4. gespierde taal
[waaruit blijkt dat je daadkrachtig bent]
5. taal noch teken geven
[niets van zich laten horen]
6. versluierende taal
[waarmee iemand niet ronduit zegt wat hij bedoelt]

Zelfstandig naamwoord: taal
de taal
de talen
het taaltje