Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

stuur

betekenis & definitie

stuur - zelfstandig naamwoord

1. onderdeel waarmee je het voertuig in een bepaalde richting laat gaan
hij draaide aan het stuur en parkeerde de auto
1. achter het stuur zitten
[de auto besturen]
2. de macht over het stuur verliezen
[niet meer kunnen besturen]

Zelfstandig naamwoord: stuur
het stuur
de sturen
het stuurtje