Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

stront

betekenis & definitie

stront - zelfstandig naamwoord

1. toestand van kwaad zijn op elkaar
hij heeft weer stront met zijn vrienden
2. onverteerd voedsel dat via je anus naar buiten komt
♢ ik trapte met mijn wandelschoenen in de stront
1. als je in de stront roert, gaat het stinken (TB)
[je moet die negatieve dingen laten rusten]
2. van boven bont, van onder stront (TB)
[zij doet zich mooier voor dan ze is]
3. er is stront aan de knikker
[er gaat iets mis waardoor je in moeilijkheden kunt komen]
4. hij heeft stront in zijn ogen
[het is heel opvallend, maar hij ziet het niet]
5. in de stront zitten
[in de problemen]
6. de stront waait van de dijken
[het waait hard]

Zelfstandig naamwoord: stront
de stront

Synoniemen
bonje, conflict, drek, fecaliën, geschil, heibel, kak, meningsverschil, onenigheid, ongenoegen, ontlasting, onvrede, poep, ruzie, schijt, shit, stoelgang, twist, uitwerpsel, verdeeldheid, wrijving

Tegenstellingen
genoegen, harmonie