Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

stoot

betekenis & definitie

stoot - zelfstandig naamwoord

1. grote hoeveelheid, groot aantal
ik heb een stoot boeken gekocht
2. harde duw
♢ ik kreeg een stoot in mijn gezicht
1. een stoot onder de gordel
[een gemene opmerking]
2. wel tegen een stootje kunnen
[veel kunnen verdragen]
3. dat gaf hem de laatste stoot
[dat was zijn ondergang]
4. zonder slag of stoot
[zonder problemen]
3. mooie aantrekkelijke vrouw
♢ kijk eens, wat een stoot daar loopt!

Zelfstandig naamwoord: stoot
de stoot
de stoten
het stootje

Synoniemen
bende, boel, ettelijke, hoop, hort, massa, stomp, talrijk, tig, veel

Tegenstellingen
enkel